Sociale ongelijkheid en uitsluiting
Inwoners uit het Vlaams en Brussels Hoofdstedelijk Gewest verschillen van elkaar op een reeks van kenmerken. Denk aan herkomst, beperking(en), gezondheid, gender, seksualiteit, religie, sociaaleconomische positie, opleidingsniveau of leeftijd. De manier waarop we in onze samenleving met die verschillen tussen mensen omgaan, kan bijdragen tot inclusie of uitsluiting.
In Vlaanderen en Brussel blijven een aantal ongelijkheden en uitsluitingsmechanismen zich als hardnekkige maatschappelijke fenomenen presenteren. Verschillen in leeftijd, geslacht, herkomst, scholingsgraad en tewerkstelling en het al dan niet hebben van een handicap of gezondheidsproblemen bepalen er in zeer grote mate de sociaaleconomische positie van specifieke bevolkingsgroepen. Vooral in Vlaanderen speelt daarbovenop het al dan niet beheersen van de Nederlandse taal een belangrijke rol.
Heel wat personen combineren meer dan één van die kenmerken die tot sociale ongelijkheid en uitsluiting leiden. Het kruispuntdenken of intersectionaliteit besteedt aandacht aan de koppeling van verschillende maatschappelijke indelingen en biedt een interessant kader om de samenloop van discriminatie- en uitsluitingsgronden en de complexe dynamieken die daaruit voortvloeien, onder ogen te zien.
Ongeveer 11,2% van de Vlamingen (Vlaams Gewest) leeft in armoede. In Brussel is dat veel hoger (38,8%). Werklozen en personen geboren buiten de EU lopen het hoogste armoederisico.
Afhankelijk van de indicator die gebruikt wordt, varieert de geschatte armoede in Vlaanderen tussen 7,7% en 3,2% en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 29,8% en 11,6%. 7,7% van de inwoners uit het Vlaamse Gewest wonen in een huishouden waarvan het totale beschikbare inkomen lager ligt dan de armoededrempel (1.366 euro per maand voor alleenstaanden). Zij lopen risico op monetaire armoede (AROP). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt dat aandeel veel hoger, namelijk 29,8%. Daarnaast leefde 6,1% van de bevolking uit het Vlaamse Gewest in een huishouden met een lage werkintensiteit (LWI). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dat 20,4%. En 3,2% van de inwoners uit het Vlaamse Gewest werd in 2022 geconfronteerd met ernstige materiële en sociale deprivatie (SMSD). Alweer ligt dat aandeel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest veel hoger (11,6%)
Mensen die te maken krijgen met minstens één van de drie bovenstaande situaties, worden beschouwd als risicogroep voor armoede of sociale uitsluiting (AROPE) volgens de Europese armoede-indicator in het kader van de Europa 2030-strategie. Voor 2022 ging het om 18,7% van de Belgische bevolking, wat neerkomt op 2.144.000 landgenoten. Dat armoederisico ligt veel hoger in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (38,8%) dan in het Vlaams Gewest (11,2%).

Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling voor België tegen 2030 te realiseren, moet het risico op armoede en sociale uitsluiting nog dalen. In het Vlaamse Gewest lijkt het aandeel personen onder de armoededrempel (AROP) tussen 2019 en 2021 eerder te dalen dan te stijgen.

Voor heel België is die daling alvast minder dan nodig om de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) te halen (SDG-indicator kleurt rood). Volgens de ambities van de SDG’s zou ook het aantal leefloners moeten dalen in België. Dat aantal neemt toe. Ook die indicator staat op rood.
Naar geslacht blijven de verschillen in armoederisico beperkt. Het aandeel onder de armoededrempel lag in 2022 het hoogst bij ouderen. Opgedeeld naar huishoudtype lag het armoederisico in 2022 het hoogst bij eenoudergezinnen (19%), eenpersoonshuishoudens (14%) en oudere koppels (13%). Naar socio-economische positie is het hoogste armoederisico te vinden bij werklozen (39%). Ook niet-actieven (zonder gepensioneerden, 18%) scoren relatief hoog. Het armoederisico lag in 2022 ook veel hoger bij huurders (18%) dan bij eigenaars (5%). Het armoederisico neemt af naarmate het opleidingsniveau stijgt: bij hooggeschoolden ging het in 2022 om 5%, bij laaggeschoolden om 16%. Ten slotte varieert het armoederisico ook naar geboorteland. Personen geboren in België kennen het laagste armoederisico (6%), personen geboren buiten de Europese Unie (EU27) het hoogste armoederisico (26%).

Het aantal vroege schoolverlaters daalt en het aantal hoogopgeleiden stijgt, maar de kloof tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden blijft in vele maatschappelijke domeinen erg groot en neemt zelfs toe.
Onderwijs is van groot belang voor het menselijk welzijn en de ontwikkeling van de samenleving. Het behaalde diploma is een bepalende factor voor het welzijn (Joskin, 2018). Ook zijn hoger opgeleiden gemiddeld gezonder en hebben zij minder risico om werkloos te worden of in armoede te vallen (INR/FPB, 2022).
Van de 25 tot 34-jarigen uit het Vlaamse gewest is meer dan de helft hooggeschoold (diploma hoger onderwijs). In diezelfde generatie is 9,6% laaggeschoold (geen diploma secundair onderwijs). Ook in de generatie van 35 tot 44 jaar is meer dan de helft hooggeschoold. Het opleidingsniveau bij die jongere generaties ligt hoger dan bij de generatie van 55 tot 64 jaar. Op basis daarvan kunnen we aannemen dat het opleidingsniveau in het Vlaamse gewest nog zal stijgen.

Het aandeel hooggeschoolden in het Vlaamse Gewest (46,7%) lag in 2022 tussen dat van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (53,5%) en het Waalse Gewest (41,2%) in. In de Europese Unie (EU27) was in 2022 gemiddeld 1 op de 3 inwoners hooggeschoold (34,3%). In alle gewesten van België lag dat aandeel hoger. Er zijn op dit vlak grote verschillen tussen de EU-landen. In Ierland is ruim de helft van de bevolking (53,5%) hooggeschoold. In Italië en Roemenië ligt dat aandeel op respectievelijk 20,3% en 19,7%.

De socio-economische positie bij de 25- tot 64-jarigen vertonen grote verschillen naar onderwijsniveau. Laaggeschoolden uit het Vlaamse Gewest zijn verhoudingsgewijs veel minder vaak aan het werk dan hooggeschoolden, laaggeschoolden zijn ook vaker niet-beroepsactief. Bovendien is het aandeel werkenden in het Vlaams Gewest tussen 1999 en 2022 vooral bij de hooggeschoolden toegenomen en in beperkte mate ook bij de middengeschoolden. Het zijn vooral de hooggeschoolden die zorgen voor een stijgende werkzaamheidsgraad. Het aandeel niet-beroepsactieven is tussen 1999 en 2022 dan weer toegenomen.

Afgezien van het toenemend opleidingsniveau observeren we een dalende trend voor het onderwijsniveau. De resultaten van de internationale onderzoeken wijzen allemaal in dezelfde richting: een daling van de scores voor lezen, wiskunde en wetenschappen in de afgelopen tien jaar in België.

Tal van onderzoeken wijzen daarenboven op een daling van het onderwijsniveau en een toename van de ongelijkheid tussen de leerlingen sinds 2020 naar aanleiding van de coronapandemie*. Die achteruitgang betreft zowel talen (lezen en schrijven), wiskunde en wetenschappen.
Een gemiddeld lager opleidingsniveau en minder tewerkstellingskansen, maar ook meer ervaringen van discriminatie bepalen de kansen van de groep personen met een niet-Europese herkomst.
In de inleiding suggereerden we al dat persoonskenmerken die samengaan met een verhoogd risico op uitsluiting ook samen voorkomen en zo mogelijks een cumulatie van uitsluitingsmechanismen kunnen meebrengen.
In 2022 was 48,6% van de personen uit het Vlaams Gewest en geboren in België hooggeschoold. Bij personen geboren in een ander land van de Europese Unie (EU27) waren dat er minder (44,2%). Bij personen geboren buiten de EU was dat 33,3%. Omgekeerd lag het aandeel laaggeschoolden bij personen geboren buiten de EU (37,1%) duidelijk hoger dan bij personen geboren in België (11,6%) of in een ander EU-land (18,5%). De relatief lagere geschooldheid van personen geboren buiten de EU kan voor die groep laaggeschoolden samen met hun herkomst de kloof met andere burgers verdiepen.

Ook op de arbeidsmarkt is er sprake van een herkomstkloof. In 2022 was 72,5% van de personen geboren in België aan het werk, terwijl 1,9% werkloos en 25,5% niet-beroepsactief was. In 2007 was 67,3% aan het werk, 2,6% werkloos en 30,2% niet-beroepsactief. Bij personen geboren in een ander land van de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werkenden in 2022 op 73,5%, tegenover 61,7% in 2007. Het aandeel werklozen daalde van 4,8% in 2007 naar 3,0% in 2022 en het aandeel niet-beroepsactieven van 33,5% naar 23,5%. Dat is erg verschillende van personen die buiten de Europese Unie zijn geboren. In 2022 werkte 60,5% onder hen, tegenover 50,6% in 2007. Het aandeel werklozen daalde van 9,0% in 2007 tot 5,7% in 2022 en het aandeel niet-beroepsactieve personen daalde van 40,5% naar 33,8%.

Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de herkomstkloof op de arbeidsmarkt zichtbaar. De werkloosheidsgraad is daar bijna 13%, hoger dan in Vlaanderen. In Brussel is ook de werkzaamheidsgraad het hoogst voor personen die niet in een Europees land geboren zijn (niet EU-27) (21,71%).

35,9% van de inwoners van het Vlaamse Gewest ervaren in de loop van 2022 discriminatie omwille van hun herkomst, huidskleur of geloof. Relatief meer personen die niet van de EU afkomstig zijn rapporteren zo’n ervaring. En binnen die groep rapporteren relatief meer personen van de tweede generatie zo’n ervaring.


Unia telde tussen 2017 en 2022 6.775 meldingen van discriminatie in verschillende maatschappelijke domeinen op basis van “raciale” criteria in het Vlaamse Gewest en 2.336 meldingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Meldingen discriminatie, “raciale” criterium
Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Personen met een handicap of langdurige gezondheidsproblemen participeren in mindere mate aan de arbeidsmarkt en aan levenslang leren en beschikken over een relatief lager inkomen.
In 2022 lag de werkloosheidsgraad (aandeel van de bevolking die zich aanbiedt op de arbeidsmarkt en geen werk vindt) bij personen met hinder in hun dagelijkse bezigheden wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 3,9%, tegenover 11,4% in 2009. Ten opzichte van 2021 is de werkloosheidsgraad verder gedaald (van 5,2% naar 3,9%). Bij personen zonder hinder daalde de werkloosheidsgraad van 4,5% in 2009 tot 3,1% in 2022. Het ziet er naar uit dat personen met hinder in hun dagelijkse bezigheden wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem die zich op de arbeidsmarkt aanbieden stilaan evenveel tewerkstellingskansen krijgen dan andere werkzoekenden.

Maar net omwille van hun handicap of langdurig gezondheidsprobleem bieden personen met hinder zich verhoudingsgewijs veel minder aan op de arbeidsmarkt (werkend of werkzoekend werkloos). In 2021 werkte 48% van de personen (15-64 jaar) met hinder in hun dagelijkse activiteiten tegenover 36,7% in 2009. Bij personen zonder hinder steeg het aandeel werkenden van 69,4% in 2009 tot 73,7% in 2021.

Sommige personen met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt kunnen
terecht in de sociale economie. Het gaat onder meer om personen met een arbeidsbeperking of met fysieke of psychische beperkingen of moeilijkheden. Eind 2020 waren 28.079 doelgroepwerknemers tewerkgesteld in de sociale economie in het Vlaamse Gewest. Dat komt overeen met bijna 1% van de totale werkende bevolking

Personen met een arbeidshandicap participeren minder vaak aan een opleiding dan personen zonder arbeidshandicap. In 2020 nam bijna 4% van de 25-64-jarigen met arbeidshandicap deel aan een opleiding. Bij personen zonder arbeidshandicap was dat ongeveer 7%.

Personen met een handicap hebben net als iedereen recht op voldoende inkomen: groot genoeg om een menswaardig en onafhankelijk leven te leiden en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Personen met een handicap met een job verdienen gemiddeld genomen aanmerkelijk minder dan personen zonder handicap. Het netto beroepsinkomen van werkenden van 20 tot 64 jaar lag volgens de EU-SILC-survey van 2020 bij personen zonder handicap gemiddeld op 2.432 euro per maand en bij personen met handicap op 1.948 euro per maand. Het netto beroepsinkomen van personen met een handicap lag daarmee 20% lager.

Naast of boven op het beroepsinkomen kunnen personen op individueel niveau nog andere inkomsten ontvangen zoals uitkeringen voor pensioen, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, ziekte en invaliditeit, vergoedingen voor studie of opleiding en sociale bijstand. De som van alle individuele inkomsten is het persoonlijk inkomen. Het netto totaal persoonlijk inkomen lag volgens de EU-SILC-survey van 2020 (berekend op totale inkomsten van 2019) in de volledige groep personen van 18 jaar en ouder (werkenden en niet-werkenden) duidelijk lager bij de personen met handicap dan bij de personen zonder handicap. Bij de personen met handicap ging het gemiddeld om 1.557 euro per maand, bij personen zonder handicap om 2.010 euro per maand. Het totaal persoonlijk inkomen van personen met een handicap lag daarmee 23% lager dan het totaal persoonlijk inkomen van personen zonder handicap. Vooral het beroepsinkomen ligt bij personen zonder handicap veel hoger dan bij personen met handicap. Bij het inkomen uit pensioenen of andere inkomens (inkomens voor onder meer arbeidsongeschiktheid, ziekte/invaliditeit en sociale bijstand) geldt het omgekeerde.

Personen met een handicap hebben recht op voldoende en de juiste ondersteuning voor een menswaardig en onafhankelijk leven en voor volwaardige participatie. De ondersteuning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) bestaat uit een divers aanbod van verschillende vormen van zorg en ondersteuning. Personen kunnen sommige van deze ondersteuningsvormen combineren. In totaal kregen eind 2022 106.008 unieke personen een ondersteuning van het VAPH of een zorgbudget.
Zorg, ondersteuning en hulpverlening worden de laatste jaren vaak in één adem met wachtlijsten genoemd. Ook het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap werkt met wachtlijsten voor ondersteuning of een zorgbudget van de Vlaamse overheid. In haar jaarverslag 2022 rapporteert ze een gunstige evolutie van het aantal wachtende uit de groep met de hoogste prioriteit. Het totaal aantal wachtenden daalt evenwel niet.
| Evolutie van het aantal wachtende personen per prioriteitgroep (PG) | |||||
| 31.12.2018 | 31.12.2019 | 31.12.2020 | 31.12.2021 | 31.12.2022 | |
| Wachtende in PG 1 | 1.257 | 1.829 | 1.802 | 328 | 210 |
| Wachtende in PG 2 | 1.616 | 2.826 | 3.777 | 5.034 | 6.172 |
| Wachtende in PG 3 | 12.190 | 11.487 | 11.044 | 10.595 | 10.345 |
| totaal | 15.063 | 16.142 | 16.623 | 15.957 | 16.727 |
Er zijn ondertussen meer hooggeschoolde vrouwen dan mannen, zeker onder de jongste bevolkingsgroepen. Toch konden we de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog niet dichten.
Vrouwen zijn relatief meer hooggeschoold dan mannen. Bij de jongere generaties is dat verschil overigens nog groter.

Hoewel hooggeschoolden makkelijker hun weg vinden naar werk vertaalt zich dat niet naar meer tewerkstelling bij vrouwen dan bij mannen. Het aandeel werkenden in de mannelijke bevolking van 15 tot 64 jaar steeg van 71,3% in 1999 tot 74,4% in 2022. Bij vrouwen steeg het aandeel werkenden sterker, van 53,6% in 1999 tot 68,5% in 2022. Daarnaast daalde in 2022 het aandeel niet-beroepsactieve mannen van 25,4% in 1999 tot 23,0%, terwijl het aandeel niet-beroepsactieve vrouwen sterker daalde, van 42,5% in 1999 tot 29,4% in 2022. Het aandeel werklozen lag bij mannen in 2022 op 2,6%, even hoog als in 2019 en 2020. In 2021 bedroeg het aandeel 3,3%. Bij vrouwen daalde het aandeel werklozen van 3,8% in 1999 tot 2,1% in 2022, het laagste niveau in de hele periode 1999-2023.

De kloof in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen wordt gestaag kleiner, maar er blijft wel een andere belangrijke kloof bestaan: vrouwen werken veel vaker deeltijds dan mannen.
De tewerkstelling van vrouwen is minder conjunctuurgevoelig dan die van mannen omwille van het grote verschil in sector van tewerkstelling. Meer conjunctuurgevoelige sectoren als bouw en industrie worden nog steeds door mannen gedomineerd, terwijl diensten uitgesproken vrouwelijk zijn.

In 2020 lag het gemiddelde uurloon van vrouwen in België 5,3 % lager dan dat van mannen.

Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen naar 0%. Dat doel wordt niet bereikt met een voortzetting van de trend sinds 2007. De loonkloof tussen vrouwen en mannen evolueert dus ongunstig volgens de ambities van de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) voor België.
De klassieke rolverdeling van ‘huisvrouw’ en ‘kostwinner’ met een verschillende tijdsbesteding van vrouwen en mannen manifesteert zich nog steeds. Vrouwen doen meer huishoudelijk werk op een weekdag dan mannen en hoewel het verschil in 2013 minder is dan in 1999, is het onveranderd gebleven ten opzichte van 2005. Bovendien besteden vrouwen tijdens een weekdag ook meer tijd aan kinderzorg en opvoeding en ook dat is onveranderd gebleven over de jaren. Mannen doen dan weer meer betaalde arbeid per weekdag dan vrouwen.

Ook zowel op zaterdag (3u38’) en op zondag (2u54’) blijven vrouwen gemiddeld een uur per dag meer tijd besteden aan huishoudelijk werk dan mannen. Nam de tijd die vrouwen aan huishoudelijk werk besteden nog af tijdens de weekdag, dan blijft ze op zaterdag en op zondag onveranderd over de jaren.
Wereldwijd heerst er een zeer grote inkomenskloof tussen extreem arm en extreem rijk. In België, Vlaanderen en Brussel lijkt dat relatief mee te vallen, hoewel de vermogensongelijkheid (eigendom) bij ons veel groter is dan verwacht.
Omgevingsfactoren waarop individuen geen vat hebben zoals geboorteland en de geografische omgeving zijn wereldwijd een bron van ongelijkheid. Inwoners van Europa hebben gemiddeld gesproken een gunstig lot getrokken.

Wereldwijd neemt de ongelijkheid in vermogen tussen personen extreme proporties aan. In 2021 beschikten de allerrijksten (0,001% van de wereldbevolking, 51.700 volwassenen) over 6,4% van onze globale welvaart. De armste helft van de wereldbevolking (50%, 2,6 biljoen volwassenen) beschikte toen over 2% van de globale welvaart.

Extreme armoede leidt tot aantasting van de menselijke waardigheid, extreme rijkdom is een gevaar voor de democratie. Dat maakt het wegwerken van structurele ongelijkheid tot een uitdaging voor democratische overheden. Want naast geografische omgeving is ook sociale herkomst een bron van ongelijkheid. Dit leidt, samen met andere factoren, ook binnen landen en regio’s zoals België, Vlaanderen en Brussel tot ongelijkheid.
De gini-index is een internationaal vaak gebruikte maat om inkomensongelijkheid in een land of regio in beeld te brengen. De index geeft aan in hoeverre de verdeling van het inkomen over de inwoners verschilt van een perfecte gelijke inkomensverdeling. Hoe hoger de Gini-index, hoe groter de inkomensongelijkheid. Een indexwaarde van 0 staat voor een perfect gelijke verdeling. Een indexwaarde van 100 wijst erop dat al het inkomen behoort aan 1 persoon.
In 2021 (inkomens 2020) bedroeg de Gini-index in België 24,1. Dat is lager dan het gemiddelde voor de 27 landen die samen de Europese Unie uitmaken. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, mag dat cijfer niet stijgen. De trend is gunstig tussen 2004 en 2021.

In het Vlaamse gewest ligt de gini-index op 22,6. De Gini-index in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedraagt 23,6 en volgt heel nauw de trend van de Gini-index in het Vlaamse Gewest.

Naast inkomensvergelijking kunnen we sinds kort (dankzij de Nationale Bank van België) ook vermogens vergelijken in België. En die vermogensongelijkheid in België is veel groter dan de inkomensongelijkheid en ook groter dan de meeste warnemers voordien verwachtten. De 10% rijkste gezinnen (D10) had de voorbije jaren 57% à 58% (bijna 3.000 miljard euro) van het totale netto vermogen in handen. Dat netto vermogen is berekend op basis van gekend roerend (financieel vermogen, beleggingen, …) en onroerend (o.a. vastgoed, wagens, maar exclusief kunstbezittingen) vermogen. Het aandeel in het totale netto vermogen van die top 10 neemt toe in de tijd.



