Middenveld, markt, overheid, burgers en hun verhoudingen
Sociaal-cultureel volwassenenorganisaties handelen niet in een vacuüm, maar gaan in interactie met andere maatschappelijke actoren: andere middenveldspelers, marktspelers, overheden (staat) en gemeenschappen en burgers. Elk van die actoren kent eigen doelstellingen en werkwijzen.

Het middenveld beweegt tussen overheid, markt en gemeenschappen en burgers. De scheidslijnen met het middenveld zijn theoretische scheidingen. In de praktijk zijn de grenzen soms moeilijk te trekken en voortdurend in verandering (CSI Flanders). Middenveldinitiatieven positioneren zich op verschillende manieren tegenover andere actoren. Sommige organisaties behoren niet strikt tot het middenveld, maar zijn bijvoorbeeld ook (ten dele) een marktspeler en willen voor bepaalde activiteiten doelbewust winst maken. Dergelijke ‘hybride’ vormen kunnen de verhouding tussen verschillende soorten actoren veranderen en spanningen of compromissen met zich meebrengen. Ook maatschappelijke uitdagingen zoals klimaat, migratie en sociale ongelijkheid zetten bij momenten de verhoudingen tussen overheid, markt, middenveld en burgers onder druk.
Burgers, middenveld en overheden nemen initiatieven om negatieve effecten van de markt op de samenleving en de planeet te corrigeren. Marktspelers pikken meer en meer het idee van ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ op.
Over België wordt vaak gezegd dat het een KMO-land is. De meeste Belgische ondernemingen hebben zelfs geen enkele werknemer. Het deel ondernemingen zonder werknemer in het totaal aantal ondernemingen is in België doorheen de jaren toegenomen en bedroeg 74,1 % in 2020.

Bij de ondernemingen in België die ten minste één werknemer tewerkstelden, was de groot- en detailhandel met 28,06% het sterkst vertegenwoordigd in 2020, gevolgd door de bouwnijverheid (15,8%) en de horeca (12,93%).
% ondernemingen met werknemers (België, 2020)

Het aantal ondernemingen in Vlaanderen blijft stijgen, ook in de coronajaren. Eind 2021 waren er 679.105 ondernemingen actief.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waren er in 2021 iets meer dan 115.000 ondernemingen.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest treffen we het meest bedrijven in de sector van de vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten en verhoudingsgewijs opvallend meer bedrijven uit de sector van informatie en communicatie dan in Vlaanderen. Verder, net als in het Vlaamse Gewest, ook veel bedrijven uit de sector van de groot- en detailhandel en de bouwnijverheid.
Ondernemingen krijgen te maken met een kritische opstelling van burgers, middenveld en staat. De sociale gevolgen van ondernemen staan, onder toeziend oog van de overheid, al veel langer op de agenda van het sociaal overleg tussen werknemers (middenveld) en werkgevers (markt). Binnen dat tripartiete sociaal overlegmodel en ook onder invloed van andere middenveldspelers is er de laatste decennia ook meer aandacht voor de wijze waarop ondernemingen produceren en de impact die ze daarmee hebben op milieu en natuur. Sommige bedrijven beseffen dat en nemen verantwoordelijkheid op. Naar verwachting zal 25% van de Europese bedrijven op termijn een verantwoordelijke ‘duurzaam of maatschappelijk verantwoord ondernemen’ in dienst hebben.
Niettemin blijven de specifieke doelstellingen van de markt (winst en economische groei) en de daar bijhorende werkwijzen vaak tot minder gewenste maatschappelijke effecten en marktfalingen leiden. Dat zet overheden (vaak onder druk van middenveldspelers) aan tot marktcorrecties. Daarvoor zetten ze verschillende instrumenten in de zweep (opleggen van emissienormen, verbieden …), de wortel (milieubelastingen, subsidies …) of de preek (sensibilisatie, milieulabels …)*. Voor sommige spelers in de samenleving gaan de huidige marktcorrecties niet ver genoeg en blijft de eigen inzet van ondernemers nog te vaak beperkt tot ‘greenwashing’. Zij pleiten voor een paradigmashift en stellen ontgroeien (degrowth) voor als oplossing voor de negatieve effecten van ondernemingen op milieu, natuur en samenleving. Nog anderen gaan zelf experimenteren met de deeleconomie, de korte keten of circulaire economie. Op die manier stimuleren ze ook andere marktspelers om strategieën in te zetten op weg naar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Uit de Vlaamse monitor Circulaire Economie blijkt dat ondertussen net geen 20% van de bedrijven afval, rest- of bijproducten opnieuw gebruikt voor hetzelfde proces. Meer dan een kwart van de bedrijven zorgt ervoor dat hun producten makkelijk hersteld of gerecycleerd kunnen worden. Bijna 60% van de bedrijven houdt bij de aankoop van producten rekening met de mate waarin die producten hersteld of gerecycleerd kunnen worden. Iets minder dan de helft houdt hier ook rekening mee bij het ontwerpen of produceren van eigen producten.

*Eyckmans, J., Rousseau, S. & Bachus, K. (2023). Economie van duurzame ontwikkeling. Ppt nav Lessenreeks ‘Globale uitdagingen voor een duurzame samenleving’ van de KULeuven.
Overheidsschuld en versnippering van het politieke landschap beperken de handelingsruimte van overheden en dwingen hen om samen te werken met andere beleidsniveaus, markt, middenveld en burger.
Overheden in Vlaanderen en Brussel komen meer en meer onder druk om met minder middelen beter beleid te voeren en betere overheidsdiensten te verstrekken. Burgers en ondernemers willen waar voor hun belastingsgeld. Daarbij moeten die overheden in een complexe staatsstructuur zowel het algemene belang behartigen als de individuele rechten van de burgers beschermen.
Dat is niet evident met een overheidsschuld die niet onder controle geraakt. In 2021 bedroeg de totale geconsolideerde bruto schuld van de gezamenlijke overheid in België 109,2% van het bruto binnenlands product. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet de overheidsschuld dalen. Volgens de projecties van de Studiecommissie voor de Vergrijzing wordt dat doel niet bereikt. De totale geconsolideerde bruto schuld van de gezamenlijke overheid evolueert dus ongunstig. De scherpe daling van de economische activiteit door de coronapandemie en de daaropvolgende maatregelen hebben in 2020 zelfs tot een sprong in de schuldenlast geleid.

Ondertussen zoeken diverse overheden naar mogelijkheden om te besparen en zetten ze zo hun relaties met eigen overheidsdiensten, gesubsidieerde dienstverleners en middenveldspelers onder druk. Denk aan de aanhoudende witte woede en het ongenoegen in de culturele sectoren door de opeenvolgende besparingen.
Naast de overheidsschuld bemoeilijkt ook de politieke versnippering de politieke besluitvorming. Het aantal (lokale) partijen waarop je kan stemmen en het aantal (lokale) partijen met vertegenwoordigers in colleges, raden, commissies, regeringen, parlementen en senaat, is sterk toegenomen. Dat brengt versnippering van het politieke landschap mee van lokaal tot Europees niveau en uiteenlopende standpunten en belangen. Ook de verhoudingen en de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende beleidsniveaus worden complexer. Gemeenten krijgen meer taken vanuit de gewesten en gemeenschappen die zij op lokaal niveau moeten uitvoeren en vormgeven (zoals de decentralisatie van het lokaal cultuurbeleid). Tegelijkertijd zien we een verschuiving van zeggenschap van het federaal naar het Europees niveau.
Beperkte middelen en politieke versnippering leiden tot moeilijke politieke beslissingen in enkele belangrijke dossiers waaronder de pensioenen, de fiscale hervorming, de energietransitie, de opvang van vluchtelingen en de toekomst van de landbouw. Moeizame besluitvorming gaat bovendien gepaard met misnoegde ondernemers, werknemers, burgers (bijvoorbeeld De Gele Hesjes), zorgverstrekkers, landbouwers … Zo telde Brussel in 2019 voor het eerst meer dan 1.000 betogingen. Heel wat van die betogingen spelen evenwel in op internationale of buitenlandse agenda’s en vallen buiten de invloedssfeer van onze eigen overheden.
Door die beperkte middelen, de toenemende bestuurlijke complexiteit en versnippering en de uiteenlopende reacties van andere spelers in de samenleving is government als klassieke bestuursvorm lang niet altijd meer evident. Overheden kunnen hun voornemens lang niet meer altijd realiseren op basis van de eigen bevoegdheden en met gebruik van eigen diensten. Ze zijn meer en meer aangewezen op samenwerking met andere overheden, bedrijven, middenveldspelers en burgers om hun ambities te bepalen en waar te maken (governance). Dat beïnvloedt de verhouding tussen de verschillende spelers in onze samenleving op verschillende manieren. Zo zien we onder de noemer van de participatiesamenleving overheden zich soms terugtrekken uit het maatschappelijke domein en taken overlaten aan de markt of het middenveld. Anderzijds engageren overheden zich ook steeds meer in netwerken, denk maar aan de recente opdeling in 17 regio’s en de vele samenwerkingsverbanden met bedrijven, civiele dienstverleners en burgerinitiatieven. Daarbij ziet de overheid haar rol meer en meer als die van regisseur. Maar ook weer niet altijd, in sommige dossier beroepen politici zich, gelegitimeerd door de stembusgang, dan toch weer op het primaat van de politiek en proberen ze complexe overlegprocessen te omzeilen om niet in besluiteloosheid te verzanden.
Het middenveld staat onder druk, vernieuwt, zoekt naar aansluiting met de leefwereld van diverse burgers, naar (financiële) autonomie en naar een actuele invulling van haar politieke rol.
Het maatschappelijk middenveld is een overkoepelende term voor verschillende sectoren. De onderzoekers van CSI-Flanders deden een grootschalig onderzoek naar innovaties op het middenveld in Vlaanderen en hebben drie sectoren op dat middenveld onderscheiden: welzijn, sociale economie en het sociaal-cultureel werk. Je vindt er een grote variatie aan organisaties: van welzijnsinstellingen over maatwerkbedrijven tot vakbonden en religieuze organisatie, ook de sociaal-cultureel volwassenenorganisaties. De relaties tussen die organisaties en markt en overheid evolueren en zijn zeer verscheiden. Die relaties beïnvloeden de positie en de organisatiemodellen van spelers op het middenveld. CSI-Flanders bracht enkele actuele uitdagingen voor en ontwikkelingen op dat middenveld in beeld.
Zowel het middenveld als de overheid worden geconfronteerd met een samenleving die individualiseert en meer divers wordt, een samenleving waar de verandering snel gaat en onder meer daardoor politieke polarisering opwekt. Zowel politici als middenvelders worstelen er mee. Voor politici vertaalt het zich in electorale wispelturigheid. Voor middenveldspelers in engagementen die meer wisselend, issue-gericht en op korte termijn zijn. Het knaagt aan de legitimiteit van beide spelers. Een aantal middenveldorganisaties zoekt opnieuw aansluiting met de leefwereld van diverse burgers. Sommigen zoeken hoe ze betekenisvol kunnen zijn voor nieuwe ‘burgerinitiatieven’. Nieuwe initiatieven kunnen gevestigde middenveldspelers versterken, maar door hun spontane mobilisatiekracht dagen ze die spelers evengoed uit.
58% van de door CSI-Flanders bevraagde lokale organisaties en 70% van de Vlaamse organisaties ziet etnisch-culturele diversiteit als een uitdaging voor de organisatie. Een gedetailleerde bevraging van de aanwezigheid van diversiteit in de verschillende geledingen van middenveldorganisaties toont een ondervertegenwoordiging van burgers met migratieachtergrond in zo goed als alle geledingen van middenveldorganisaties (met uitzondering vaak van bereikte doelgroep).

De ondervertegenwoordiging neemt toe naarmate we dichter bij het centrum van de beslissingsmacht van de organisatie komen. Dat wijst op een structureel probleem van vertegenwoordiging.
Om greep te krijgen op een veranderende samenleving, zoeken middenveldspelers inspiratie bij marktactoren en gaan ze zich meer en meer als sociaal ondernemers opstellen. Ze introduceren managementconcepten om processen in de eigen organisatie zoveel mogelijk te beheersen. Denk aan het nauwgezet meten van prestaties, het standaardiseren van procedures en het gebruik van managementtools. Zo hopen ze de legitimiteit van de organisatie op te krikken bij externe stakeholders zoals overheden, burgers en bedrijven.
Het gebruik van managementtools en het meten van prestaties komt meer voor in de sociale economie dan in de welzijnssector, en meer in de welzijnssector dan in het sociaal-cultureel werk.
Bron: CSI-Flanders
Andere keren zetten middenveldorganisaties verdienactiviteiten in om financiële zekerheid en autonomie op te bouwen. Opnieuw weegt het aandeel van commerciële inkomsten vooral in de sociale economie sterk door.

Er bestaat een risico dat in financieel moeilijke tijden, waarin inkomsten van de overheid teruggeschroefd (kunnen) worden, voornamelijk kleine beleidsbeïnvloedende middenveldorganisaties onder druk komen te staan. Ze hebben minder mogelijkheden om verdienactiviteiten op te zetten dan grotere middenveldorganisaties die zich minder expliciet of exclusief toeleggen op beleidsbeïnvloeding.
Organisaties in het Vlaamse middenveld zoeken naar actuele vormen om hun rollen te spelen. Ze combineren voornamelijk een gemeenschapsvormende en dienstverlenende rol, zeker in de sectoren sociale economie en welzijn. Het sociaal-cultureel werk combineert het meeste verschillende rollen.

Meer dan de helft van de Vlaamse middenveldorganisaties (53%) geeft zelf aan vandaag meer dan vroeger een politieke rol op te nemen. Het verdedigen van de belangen van de achterban staat centraal in de invulling van de politieke rol. Ook samenwerken met andere organisaties en invloed uitoefenen op overheden of bedrijven is een vast onderdeel van het nastreven van maatschappelijke of politieke verandering. Een dialoog opzetten met burgers en ze sensibiliseren en mobiliseren komt minder algemeen voor.

Bron: CSI-Flanders
Een overgrote meerderheid van burgers vindt het belangrijk om in een democratie te leven, ook al daalt het vertrouwen van de burger in de overheden (van lokaal tot Europees) en de ontevredenheid over de manier waarop democratie in België werkt.
Vlamingen zijn anno 2023 zeer kritisch over de democratie en het democratisch proces in ons land. Sinds 2019 is er significant minder vertrouwen in politieke instellingen, minder tevredenheid met de werking van onze democratie en minder tevredenheid met het regeringsbeleid. De tevredenheid met de democratie in ons land is (statistisch significant) afgenomen tussen 2022 en 2023.
In het algemeen, bent u eerder tevreden of eerder ontevreden over de manier waarop de democratie in België̈ werkt?

Bron: De stemming
Die ontevredenheid treft een heel aantal aspecten van politiek:
- Het vertrouwen in instellingen is laag, vooral partijen en politici moeten het ontgelden.
- Respondenten geven aan dat politici en partijen niet luisteren naar de bevolking, niet handelen in lijn met de voorkeur van de mensen en er niet in slagen een beleid te voeren dat overeenstemt met wat mensen willen.
- Nogal wat Vlamingen stellen zich vragen bij het basisprincipe van de representatieve democratie en zeggen dat volksvertegenwoordigers het volk niet kunnen vertegenwoordigen of dat het beter is dat de burgers rechtstreeks zelf beslissen.
- In de perceptie is de corruptie toegenomen.
Toch blijft een overgrote meerderheid van de burgers het belangrijk vinden om in een democratie te leven, ook al vinden ze dat die democratie bij ons momenteel niet goed werkt. Ze onderschrijven dus het democratisch principe, maar stellen de representanten en de instellingen van onze democratie in vraag.
Dat ongenoegen is veruit het diepst bij de electoraten van de twee meest radicale partijen, PVDA en vooral Vlaams Belang. Politieke ontevredenheid is ook sterk gecorreleerd met scholing en inkomen. Bij minder sterke sociaaleconomische groepen zit het ongenoegen het diepst.
De burger heeft nog meest vertrouwen in lokale overheden, daarna volgen provincie, gemeenschap/gewest, staat en Europa. Lokale overheden doen het traditioneel altijd beter dan de andere niveaus, met dank aan de sterkere nabijheid. Maar het valt op dat in 2023 ook de lokale besturen in de klappen delen. De gemiddelde tevredenheid over alle beleidsniveaus (van lokaal tot Europees) was de voorbije jaren al laag, al was er in 2022 een lichte opstoot. Maar in 2023 boeren alle niveaus achteruit.

Dat alle beleidsniveaus vertrouwen verliezen bij alle kiezers toont dat politieke ongenoegen de laatste jaren steeg.
Uit onderzoek (De Stemming) blijkt dat politici de publieke opinie heel belangrijk vinden, maar lang niet altijd accuraat inschatten. Ze schatten de publieke opinie vaak rechtser in dan ze in werkelijkheid is. Dat is overigens niet alleen in Vlaanderen, ook in andere westerse landen waar gelijkaardig onderzoek gevoerd werd, is dat het geval. Politici lijken effectief onvoldoende te weten wat burgers willen. Maar ook burgers stemmen lang niet altijd voor die partijen die het dichtst aansluiten bij de eigen standpunten.

In een geïndividualiseerde samenleving en tegen de achtergrond van zo’n mismatch tussen burgers en politici gaan overheden en politici op zoek naar verbinding. Sociale media zijn daarbij erg in trek. Politici hebben platforms als Facebook, Twitter en Instagram omarmd als instrumenten in campagnes, maar ook in de dagelijkse politiek. Ze gebruiken het gretig om hun kiespubliek te informeren en te mobiliseren en om een relatie op te bouwen met hun kiezers. Ondertussen geven politieke partijen recordbedragen uit aan advertenties op sociale media. NVA en Vlaams Belang zijn daarbij absolute koplopers.
Op zoek naar verbinding tussen politiek en burger speelt ook het middenveld en sociaal-cultureel volwassenenwerk haar rol, zeker in praktijken waarbij ze de politieke participatie van burgers stimuleren en versterken. Ook overheden experimenteren hier en daar met nieuwe vormen van burgerparticipatie. Zo brengt VVSG (belangenbehartiger, kennisdeler en netwerkbouwer van en voor de lokale besturen) voortrekkers samen die willen bijdragen aan de versnelling van innovatieprocessen in lokale burgerparticipatie. De focus ligt op lokale praktijken die coproductief of met een burgerinitiatief aangepakt worden.
Een minderheid van burgers beschikt naar eigen inschatting niet over een voldoende uitgebouwd sociaal netwerk en een minderheid van burgers participeert aan politieke activiteiten.
De burger bestaat niet. Onder meer verschillen in leeftijd, herkomst, woonplaats, opleiding, gezinssamenstelling, gender, gezondheid en andere bepalen niet alleen hun sociaaleconomische positie, ook hun sociale contacten en maatschappelijk en politieke engagementen.
De wettelijke beperkingen op het aantal sociale contacten in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie in 2021 en de vele reacties daarop toonden het grote belang van sociale contacten. Na die maatregelen, in het voorjaar van 2022, had ongeveer de helft van de inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder minstens wekelijks contact met buren (53%) en niet-inwonende familie (47%). 38% had minstens wekelijks contact met vrienden of kennissen. 20% van de bevolking had in diezelfde periode minder dan maandelijks contact had met buren, 21% met niet-inwonende familie en 24% minder dan maandelijks contact had met vrienden of kennissen.

Naast verschillen in contacten naar geslacht, leeftijd, gezinssamenstelling en scholingsgraad beïnvloedt ook de woonplaats het aantal contacten. Personen die in de gemeenten van het platteland, het overgangsgebied en de kleinere steden wonen, hebben vaker contact met familie dan de personen uit andere gemeenten. Bij de contacten met vrienden of kennissen en buren zijn de verschillen naar woonplaats minder uitgesproken.

Die cijfers kunnen we niet vergelijken met de periode voor de COVID-19 pandemie. Wel weten we dat 7% van de personen van 15 jaar en ouder in het Vlaamse Gewest in 2018 niet tevreden was over zijn/haar sociale contacten met verwanten, kinderen, vrienden en kennissen. 12% had minder dan één keer per week contacten met verwanten, kinderen, vrienden en kennissen. Een minderheid van de bevolking beschikt niet over een degelijk uitgebouwd sociaal netwerk.

De relatieve grootte van de groep met een onvoldoende uitgebouwd sociaal netwerk verschilt niet noemenswaardige tussen het Vlaamse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

27% van de inwoners uit het Vlaamse Gewest gaf eind 2021 aan ook politiek te participeren. Zij hebben, naar eigen zeggen, voorafgaand aan de bevraging minstens één politieke activiteit uit een lijst van 10 mogelijke activiteit ondernomen. Meestal was dat het tekenen van een petitie of het verzamelen van informatie over plannen of beslissingen van de overheid.

Politieke participatie ligt merkbaar lager bij ouderen en laaggeschoolden.

Tussen sociale contacten en politieke participatie door, nemen of hebben burgers ook deel aan culturele activiteiten of nemen ze maatschappelijke engagementen op. Daarover rapporteren we bij de bespreking van ‘Vrijwillige inzet en verenigen’ en van ‘Vrije tijd’.
Als consument verhouden burgers zich ook tot de markt. Op die manier kunnen zij als burger verantwoordelijkheid opnemen. Maar consumenten voelen de toenemende inflatie. Voor 65% van de consumenten zijn stijgende prijzen voor levensmiddelen de grootste zorg tijdens het winkelen. Niettemin blijkt uit marktonderzoek dat meer en meer consumenten de voorkeur geven aan lokale en biologische producten en producten die met aandacht voor het dierenwelzijn geproduceerd worden. Ook tweedehands producten zijn in trek. Daartegenover staat dat meer en meer consumenten hun aankopen online doen en thuis laten leveren, met alle gevolgen voor de impact daarvan op het milieu. Het aantal mensen dat fysieke winkels in stadscentra bezoekt, is in 8 jaar tijd met 38,7% gedaald, en in winkelcentra met 29,4%.


