Milieu- en natuurrisico’s en duurzame ontwikkeling

De afgelopen decennia hebben we allemaal veel aandacht besteed aan het milieu en de natuur en inspanningen om daaraan verbonden risico’s te beheersen. Het gevoel van urgentie voor veel milieu- en natuurproblemen is sterk toegenomen. In grote lijnen kunnen we in al die aandacht en inspanningen, naast een minderheid van ontkenners, twee paradigma’s onderscheiden: de profeet en de tovenaar.

De profeet predikt grenzen aan de groei, terwijl de tovenaar inzet op innovatie en technologische ontwikkeling om het milieu en onze natuur te redden. Profeten en tovenaars zijn het ondertussen min of meer eens over één ding: het is tijd voor actie. Met acties zullen we verstoringen van ons milieu en de natuur niet meer tegenhouden, laat staan terugdraaien. We moeten ook acties ondernemen om die verstoringen te verzachten (mitigatie) en om met de gevolgen van zo’n verstoringen om te gaan (adaptatie). 

Ondertussen evolueren een aantal indicatoren gunstig. Zo is onze afvalberg sterk geslonken, gebruiken we veel meer hernieuwbare energie, daalt de vleesconsumptie en worden we minder blootgesteld aan fijn stof. Maar we blijven worstelen met CO2-uitstoot. Daar halen we de vooropgestelde doelstellingen niet. De aarde warmt verder op en de maximaal gemeten neerslag in korte periode neemt toe. Het Federaal Planbureau concludeert in haar evaluatie van het ‘Plan voor duurzame ontwikkeling’ van de federale regering dat het niet voor de trendbreuk zorgt die nodig is om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) te bereiken. Het plan bevat te weinig bindende maatregelen en de maatregelen hebben vaak geen directe invloed op de realisatie van de doelstellingen. 

Ook het sociaal-cultureel volwassenenwerk speelt haar rol, en wel op twee manieren: organisaties uit de sector werken mee aan een duurzame transitie en een duurzaam toekomstbeeld voor onze samenleving (ecologische handdruk), en ze zoeken ook hoe ze hun eigen activiteiten en organisatie kunnen verduurzamen (ecologische voetafdruk). 

Minstens zes processen zetten de stabiliteit en de veerkracht van onze planeet onder druk: klimaatopwarming, biodiversiteitsverlies, zoetwatercyclus, biochemische kringlopen (stikstof en fosfor), landgebruik en chemische verontreiniging (o.a. plastiek, radioactieve stoffen en zware metalen).

In 2009 identificeerden wetenschappers van het Stockholm Resilience Center (International research centre on resilience and sustainability science) negen processen die de stabiliteit en de veerkracht van onze planeet regelen:

  • Klimaatverandering
  • Zoetwatercyclus
  • Afbraak van ozon in de stratosfeer
  • Atmosferische aanwezigheid van aerosolen
  • Oceaanverzuring
  • Biochemische kringlopen (fosfor en stikstof)
  • Chemische vervuiling
  • Landgebruik
  • Biodiversiteitsverlies

Het Stockholm Resilience Center stelt voor elk van die processen meetbare grenzen voor waarbinnen de mensheid en de komende generaties zich kunnen blijven ontwikkelen. Het overschrijden van die grenzen veroorzaakt grootschalige abrupte of onomkeerbare veranderingen in het milieu.

Door sinds de industriële revolutie grote hoeveelheden broeikasgassen in de atmosfeer te pompen (met het verbranden van olie, aardgas en steenkool), wordt de zonnewarmte op aarde beter vastgehouden. We hebben door die opwarming van de aarde een punt bereikt waarop het verlies van poolijs in de zomer vrijwel zeker onomkeerbaar is.

Klimaatverandering beïnvloedt op haar beurt de zoetwatercyclus. Maar vooral het menselijke handelen bepaalt het functioneren en de distributie van mondiale zoetwatersystemen. Zoetwaterverandering wordt op twee manieren opgevolgd: blauw water (menselijke consumptie in kubieke kilometer per jaar) en groen water (beschikbaar water voor planten).

De ozonlaag in de stratosfeer filtert de ultraviolette (UV) straling van de zon. Als die laag dunner wordt, zal steeds meer UV-straling het grondniveau bereiken. Dat leidt tot een hogere kans op huidkanker bij mensen en tot schade aan aardse en mariene biologische systemen.

Door hun interactie met waterdamp spelen aerosolen in de atmosfeer een uiterst belangrijke rol bij de vorming van wolken en de wereldwijde en regionale patronen van atmosferische circulatie, zoals de moessonsystemen in tropische gebieden. Ze hebben ook een direct effect op het klimaat. Ze bepalen hoeveel zonnestraling gereflecteerd of geabsorbeerd wordt in de atmosfeer.

Ongeveer een kwart van de CO2 die de mensheid in de atmosfeer uitstoot, wordt uiteindelijk opgelost in de oceanen. Het vormt er koolzuur, waardoor de chemie van de oceaan verandert en verzuurt. Een verhoogde zuurgraad vermindert de hoeveelheid beschikbare carbonaationen, een essentiële bouwsteen die door veel mariene soorten wordt gebruikt voor de vorming van schelpen en skeletten.

Biochemische kringlopen van stikstof en fosfor zijn radicaal veranderd door de mens als gevolg van industrie en landbouw. Stikstof en fosfor zijn essentiële elementen voor plantengroei, maar een overschot aan die stoffen heeft grote gevolgen voor de natuur.

De uitstoot van giftige stoffen waaronder synthetische stoffen, verbindingen van zware metalen en radioactieve materialen veroorzaken enkele van de belangrijkste veranderingen in ons milieu. Die verbindingen hebben onomkeerbare effecten op levende organismen en op de fysieke omgeving.

Over de hele wereld wordt land voor de menselijke consumptie gebruikt. Veel bossen, graslanden, wetlands en andere vegetatietypen zijn omgezet in landbouwgrond. Die verandering in landgebruik bedreigt de biodiversiteit. Het heeft ook gevolgen voor waterstromen en voor de biochemische kringloop van koolstof, stikstof en fosfor.

Volgens het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) staan ongeveer 1 miljoen soorten planten en dieren op het punt om uit te sterven, dat is een kwart van het totaal op aarde. De belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies zijn onze vraag naar voedsel, water en natuurlijke hulpbronnen.

Voor elk van die negen processen stelt het Stockholm Resilience Center meetbare grenzen voor waarbinnen de mensheid en de komende generaties zich kunnen blijven ontwikkelen (safe operating space).

Voor klimaatopwarming en biodiversiteitsverlies overschrijden we de vooropgestelde veiligheidsmarges. Hoewel de klimaatopwarming veel meer publieke aandacht trekt, brengt biodiversiteitsverlies vandaag ook al veel risico op verstoring mee. Lees meer over klimaatopwarming en biodiversiteitsverlies.

Voor nog vier andere processen overschrijden we momenteel de vooropgestelde veiligheidsmarges. Zo riskeren we wereldwijd over onvoldoende water te beschikken voor planten. Nochtans valt het waterverbruik door mensen wel nog binnen aanvaardbare marges. Wetenschappers verwachten wel dat tegen 2050 ongeveer een half miljard mensen te maken zal krijgen met waterstress, waardoor de druk om in te grijpen in watersystemen toeneemt. Om goed te zijn, wordt er ook te veel stikstof uit de atmosfeer getrokken en gaat er te veel fosfor naar de oceanen. De Vlaamse overheid kwam onlangs, in 2023, moeizaam tot een stikstofakkoord. Het blijft echter onzeker of dat akkoord voldoende zal zijn. Ook chemische verontreiniging, waaronder plastiek, zware metalen en radioactieve stoffen, vormen een bedreiging voor de leefbaarheid van onze planeet. En landbouw legt een grote claim op het landgebruik. Ook hier komen we nog op terug bij de bespreking van maatschappelijke ontwikkelingen over ruimte en ruimtegebruik in de stad en op het platteland.

Met het gat in de ozonlaag lijkt het momenteel mee te vallen. Dankzij de maatregelen van het Montreal Protocol herstelt de ozonlaag. De verzuring van oceanen nadert dan weer wel de veiligheidsmarges. Boven de drempelconcentratie maakt een stijgende zuurgraad het moeilijk voor organismen zoals koralen, sommige schelpdieren en plankton om te groeien en te overleven, met allerlei andere risico’s en verstoringen tot gevolg. Voor de deeltjesconcentratie in de atmosfeer publiceerde het Stockholm Resilience Center nog geen metingen.

Het beeld van ‘grenzen aan de planeet’ roept vragen op, zeker onder wetenschappers. Dat beeld suggereert dat onze planeet van de ene dag op de andere onleefbaar kan worden. Sommige wetenschappers wijzen erop dat de door het Stockholm Resilience Center gekozen veiligheidsmarges geen absolute indicaties voor de ondergang van onze planeet zijn. Ze geven wel aan welke processen bedreigingen meebrengen en wanneer we voor welke processen rekening zullen moeten houden met (ernstige) verstoringen. In veel gevallen zullen we ook met die verstoringen moeten leren leven. Ze zijn niet altijd zomaar omkeerbaar. Vandaag ondervinden we dat in ons dagelijkse leven al voor de opwarming van de aarde.

Om de opwarming van de aarde leefbaar te houden, zullen we koolstofneutraal (zero-emissie) moeten worden en ons tegelijkertijd moeten aanpassen aan andere klimaatomstandigheden.

Het gebruik van fossiele brandstoffen, grootschalige houtkap en de veeteelt beïnvloeden steeds meer het klimaat en de temperatuur van de aarde. Daardoor komen onnatuurlijk grote hoeveelheden broeikasgassen in de atmosfeer, wat het broeikaseffect versterkt en de opwarming van de aarde versnelt. De gemiddelde temperatuur op aarde ligt nu 1,1°C boven het gemiddelde van voor de industriële revolutie.  Door toedoen van de mens stijgt de temperatuur op aarde nu gemiddeld 0,2°C per decennium.

Als die temperatuur 2°C hoger uitkomt dan in pre-industriële tijden, dan dreigen ernstige negatieve gevolgen voor natuur, volksgezondheid en welzijn. Ook de kans op catastrofale veranderingen in het milieu wereldwijd zal toenemen. Daarom is de internationale gemeenschap het erover eens dat de opwarming van de aarde ruim onder de 2°C moet worden gehouden, en streeft ze naar maximaal 1,5°C.

Schattingen leren ons dat zonder inspanningen de aarde verder opwarmt met 4,1 tot 4,8°C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk. Op basis van het actueel gevoerde beleid zouden we dat beperken tot een opwarming met 2,9°C. Wanneer we wereldwijd alle gemaakte toezeggingen nakomen, dan zal de aarde vermoedelijk met 2,6°C opwarmen. Die prognoses tonen dat beleid en internationaal overleg werken. Daarbij spelen civiele actoren een onmiskenbare rol. Zij zetten overheden aan om internationaal afspraken te maken en zelf ook eigen maatregelen te nemen. Toch ziet het er niet naar uit dat de ambitie (maximaal 1,5°C opwarming) gehaald wordt. Daarvoor is het noodzakelijk om de inspanningen op te drijven en tegen 2050 koolstofneutraal te zijn (zero-emissie).

De grootste aanjager van klimaatverandering is het broeikaseffect. Sommige gassen in de atmosfeer werken zoals het glas van een broeikas: ze houden de warmte van de zon vast en daardoor warmt de aarde op. Veel van die broeikasgassen komen in de natuur voor, maar door toedoen van de mens nemen de concentraties in de atmosfeer toe. Het gaat vooral om koolstofdioxide (CO2), methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen. De CO2 die vrijkomt bij menselijke bedrijvigheid, is de grootste factor. In 2020 was de concentratie in de atmosfeer al 48% hoger dan vóór het industriële tijdperk (voor 1750). In België slagen we er sinds de eeuwwisseling in om de CO2 te verminderen, maar blijft het niveau nog ver boven dat van voor het industriële tijdperk. Om koolstofneutraal te worden, is er nog een lange weg te gaan. Een van de belangrijkste strategieën daarbij is de zogenaamde energietransitie. Verderop behandelen we deze transitie in een aparte bespreking. 

In het huidige klimaat is 4,5% van de gebouwen in het Vlaamse Gewest mogelijk onderhevig aan wateroverlast door korte, maar erg hevige regenval. Dat risico is niet gelijk verdeeld over het Vlaams Gewest

Wanneer de klimaatverandering zich de komende decennia doorzet, kunnen door meer extreme neerslag (in de zomer) of bij langer aanhoudende neerslag (in de winter) extra gebouwen bedreigd worden door wateroverlast. Uitgaande van een hoog-impactscenario kan het aandeel gebouwen geconfronteerd met wateroverlast gemiddeld over het Vlaamse Gewest bijna verdubbelen van de huidige 4,5% naar 7,8% in 2050. Lokaal kan de impact veel hoger worden, met 20 tot 30% gebouwen met mogelijke wateroverlast in bepaalde steden en gemeenten.

In België neemt de industrie een groot aandeel van de uitstoot van broeikasgassen voor haar rekening. Ook transport en residentiële verwarmingen stoten een relatief groot aandeel broeikasgassen uit.

Bron: klimaat.be

Tussen 2000 en 2020 daalde de koolstofintensiteit van de economie in het Vlaamse Gewest met 43%. Het gaat om de hoeveelheid energie gerelateerde CO2-uitstoot per eenheid van het bruto binnenlands product (BBP). Vanaf 2004 is er sprake van een absolute ontkoppeling tussen de economische groei en de energie gerelateerde CO2-uitstoot. Terwijl het bruto binnenlands product bleef stijgen, nam de energie gerelateerde CO2-uitstoot verder af.

De belangrijkste hefboom om meteen bij de bron CO2-uitstoot te vermijden, is werken aan de energie-efficiëntie. Economen menen dat er voor de bouw van particuliere woningen, het transport en de productie van elektriciteit alternatieve technologieën bestaan en dat klimaatneutraliteit in theorie haalbaar is.

Niettemin staan we niet alleen voor de uitdaging om klimaatopwarming verder af te remmen (mitigatie) onder meer door koolstofneutraliteit na te streven. We zullen onvermijdelijk ook moeten leren leven met andere klimaatomstandigheden (adaptatie). Civiele spelers nemen en kunnen daarin een belangrijke rol opnemen. Ze kunnen burgers informeren, stimuleren en toerusten om hun eigen ecologische voetafdruk te verkleinen. Daartoe kunnen ze de weg wijzen naar hernieuwbare energiebronnen, naar mogelijkheden om te isoleren, de aanschaf van zonnepanelen stimuleren en mogelijk maken, milieuvriendelijke verplaatsingen aanmoedigen en organiseren en alternatieven aanreiken voor de consumptie van vlees. Ook kunnen ze burgers op weg helpen om planeetvriendelijk te investeren (ethisch bankieren) en zelf als actieve burgers bij te dragen aan de duurzame transitiebeweging. Inspiratie daarover vind je op drawdown.org, een internationale bron voor klimaatacties en wetenschappelijk onderbouwde oplossingen voor het klimaatprobleem.

We staan voor een ingrijpende transitie naar groenere, slimmere en zuinigere energieproductie en -gebruik. Zonder onze leefgewoonten aan te passen, lukt dat niet. Bovendien kan dat beter geen bestaande uitsluitingsmechanismen versterken of nieuwe meebrengen.

Momenteel zijn in België de industrie, het transport en de gebouwde omgeving ongeveer gelijkwaardige energieverbruikers. Gas en olie zijn nog steeds dominant in het energieverbruik. Elektriciteit is net als waterstof een secundaire (niet natuurlijke) energievorm. Elektriciteit is moeilijk te stockeren en wordt idealiter in real time verbruikt. Elektriciteit kunnen we zowel uit fossiele brandstoffen (vroeger steenkool, nu olie en gas), biobrandstoffen (hout, biogas, biofuel), nucleaire bronnen als uit hernieuwbare bronnen halen.

Om tegen 2050 een klimaatneutraal Europa te realiseren moeten we in onze gebouwen, bedrijven en op de baan afstappen van stookolie, gas, benzine of diesel. We staan voor eentransitiewaarin we overstappen van onze huidige manier van energie gebruiken naar een zuinigere, slimmere en groenere aanpak. Omwille van de vele interacties en substromen in het energiesysteem is zo’n transitie een stevige uitdaging die onvermijdelijk gepaard zal gaan met aanpassingen in onze levenswijze. Tegelijkertijd is het belang van energie voor de kwaliteit van ons leven immens. Energie was en is de belangrijkste motor van de toenemende welvaart sinds het begin van de industriële revolutie. Hieronder zie je een beeld van de complexe energietransitie waar we tussen 2021 en 2050 voor staan.

Bron: KULeuven, Globale uitdagingen voor een duurzame samenleving. Duurzame energie. Driesen, J. (2023)

In 2021 werd in België 13 % van het bruto finaal energieverbruik geproduceerd uit hernieuwbare bronnen. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG’s) tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer stijgen naar 17,5 %. Volgens de projecties van het Belgisch geïntegreerd nationaal Energie- en Klimaatplan 2021-2030zal dat doel bereikt worden. Het gebruik van hernieuwbare energie evolueert dus gunstig.

Bron: indicators.be (https://indicators.be/nl/i/G07_REN/Hernieuwbare_energie_%28i35%29)

In het Vlaamse Gewest lag het aandeel van hernieuwbare energie in het bruto finaal energiegebruik in 2021 op 9,2%. Ook dat aandeel is de afgelopen jaren gestegen. In 2005 ging het nog om 1,9%. In dit cijfer zit niet alleen de inlandse productie van groene stroom en warmte, maar ook het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor transportdoeleinden, zoals biobrandstoffen.

Installaties van nieuwe zonnepanelen en van windturbines deden het aandeel van zon- en windenergie in de groene stroomproductie verder oplopen. Sinds 2016 wordt er meer groene stroom uit zon en wind opgewekt dan uit bio-energie. De productie op basis van biologisch materiaal – biomassa, biogas en de organische fractie van het huisvuil (bio-energie) – was in 2021 goed voor 31% van de groene stroomproductie.

Ondanks het stijgend gebruik en de stijgende productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen blijven kernenergie en brandstoffen in 2021 de belangrijkste productiebronnen voor elektriciteit. Zij waren goed voor 45% en 41% van de totale Vlaamse elektriciteitsproductie. Wind, water en zon zorgden samen voor 13% van de productie. De vraag naar elektriciteit zal in de toekomst toenemen omwille van de elektrificatie van het wagenpark. Dat vergroot alleen maar het belang om verder in te zetten op elektriciteit uit groen energiebronnen.

Maar de meest milieuvriendelijke energie blijft hoe dan ook de energie die niet verbruikt wordt. Daarom zet de Vlaamse overheid ook in op energiezuinige woningen. Mee onder impuls van maatregelen van de Vlaams overheid worden woningen in Vlaanderen jaar na jaar energiezuiniger. Aan de hand van energiescores krijgen woningen een label toegekend, gaande van A+ (meest energie-efficiënt) tot F (minst energie-efficiënt). 14% van de eengezinswoningen behaalt energielabel A+, A of B, 33% heeft label F. Appartementen zijn meer energie-efficiënt: bijna 44% van de appartementen behaalt energiescore A+, A of B. het aandeel woningen en appartementen met labels C tot en met F toont dat er nog marge is om het energieverbruik verder te optimaliseren.

De energietransitie is op zich al een complexe uitdaging. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat die transitie bestaande uitsluitingsmechanismen niet bestendigd of verstrekt. Onder de noemer rechtvaardige duurzaamheid zetten meer en meer middenveldspelers zich in om onder meer de energietransitie sociaal rechtvaardig te organiseren en een sociale dimensie in die transitie in te bouwen.

Ecologische risico’s dwingen ons anders te produceren en te consumeren, bijvoorbeeld door minder vlees te consumeren en meer materialen en producten te hergebruiken. De eiwittransitie (minder vlees) vergt een moeizame wijziging in onze leefgewoonten, terwijl we stilaan evolueren naar een meer circulaire economie.

Productie en consumptie hebben een grote invloed op het milieu en de natuur. Ze zijn een bron van allerlei emissies waaronder CO2, afval (onder andere plastiek) en giftige stoffen, en van uitputting van natuurlijke grondstoffen. Om de ecologische voetafdruk van heersende productie en consumptiepatronen te verlagen, worden vandaag – naast een ingrijpende energietransitie – nog allerlei andere veranderingsprocessen geïnitieerd en gepromoot. Dat varieert van degrowth en consuminderen over korte keten en eiwittransitie tot het overschakelen naar een circulaire economie waarbij men niet langer nieuw te ontginnen grondstoffen gebruikt. Twee van die veranderingsprocessen krijgen vandaag veel aandacht omdat men ze een grote invloed op onze ecologische voetafdruk toedicht: het verminderen van vleesproductie en -consumptie (eiwitttransitie) en het overschakelen naar (meer) hergebruik van grondstoffen en producten (circulaire economie).

De wereldwijde vleesconsumptie verdubbelde ongeveer tussen 1960 en 2020. Men schat dat de vleesconsumptie op wereldschaal verder zal blijven toenemen tussen nu en 2030.[1] Ook bij de Belg omvat vlees een groot aandeel van het huidige consumptiepatroon. In 2020 at de Belg gemiddeld 82 kg vlees per jaar, dubbel zoveel als het wereldwijde gemiddelde.[2] Tussen 2018 en 2020 produceerde België 1,92 miljoen ton per jaar (netto geslacht gewicht). Daarvan bedroegen varkens 56%, gevogelte 24%, runderen en kalveren 14% en schapen en geiten minder dan 1%.[3]

En dat terwijl dierlijke eiwitbronnen een grote milieu-impact hebben. De globale vleesindustrie is zeer energie-intensief, leidt tot een belangrijke uitstoot van koolstofdioxide (CO2) en methaan (CH4) en legt een grote claim op landgebruik.[4] Veeteelt is verantwoordelijk voor 60% van de totale broeikasgassen van de Vlaamse landbouw en Vlaanderen heeft met 425 varkens per vierkante kilometer de dichtstbevolkte varkenspopulatie van Europa.

Daarom pleiten sommigen voor een eiwittransitie: daarmee wil men de Vlaming een groter aandeel eiwitten uit plantaardige voedselbronnen laten halen. Volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal het vervangen van dierlijke door plantaardige eiwitten het meest de uitstoot van broeikasgassen door de consument verminderen. In één klap zal dat zowel het klimaat, het milieu als de persoonlijke gezondheid van de consument ten goede komen. Zo’n transitie vergt ook aanpassingen bij de consument. Belgen staan bekend als Bourgondiërs. Vlees speelt een centrale rol in ons dieet. We eten dagelijks ongeveer 212 gram vlees, waarvan 147 gram rund-, kalfs- en varkens- vlees. Dat is bijna drie tot tien keer meer dan de aanbevolen hoeveelheden voor onze gezondheid en het milieu. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling (SDG) voor vleesconsumptie tegen 2030 te realiseren, moet de vleesconsumptie in België dalen. Tussen 2005 en 2021 was de trend gunstig.

Bron: indicatores.be

De Belgische bevolking bestaat uit 11% niet-vleeseters, 31% flexitariërs en 58% omnivoren. In Brussel zijn er dubbel zoveel niet-vleeseters, en bij de Belgische jongeren onder 25 jaar zelfs bijna driedubbel zoveel.[5] 41% van Belgen zoekt momenteel naar alternatieven voor vlees. Belgen die alternatieven zoeken, grijpen nog het vaakst naar dierlijke opties: 29% van Belgen kiest voor eieren, 27% voor vis en 18% voor zuivel. Plantaardige alternatieven overtuigen iets minder dan een vijfde van de Belgen.

Om de effecten op het milieu te verminderen, wordt ook ingezet op korte keten (rechtstreekse band tussen producent en consument) en biologische landbouw. In 2020 gebruikte de biologische landbouw in België 7,2 % van de landbouwoppervlakte. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer stijgen. Ook die trend was gunstig tussen 2000 en 2020.

Bron: indicatores.be

Korte keten en biologische landbouw zouden evenwel minder effect hebben dan we verwachten.[6] Transport van voeding is slechts voor een klein aandeel van de negatieve milieueffecten verantwoordelijk. Ook biologische landbouw biedt geen totaaloplossing. Dat leidt tot toename in landgebruik en heeft daardoor ook negatieve effecten. Wel is biologische landbouw zeer zinvol in de omgeving van natuurgebieden waar het bijdraagt aan het behoud van de biodiversiteit.

In ons huidig lineair economisch systeem worden grondstoffen omgezet in producten en aan het einde van hun levensduur vernietigd. Het systeem van de circulaire economie richt zich daarentegen op een maximale herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en op een minimaal waardeverlies. Producten worden dan hersteld, hebben een hoge tweedehandswaarde, zijn upgradebaar, kunnen makkelijk uit elkaar gehaald worden en omgevormd worden tot nieuwe producten. De gekozen materialen zijn gerecycleerd of biogebaseerd, en bij het levenseinde recycleerbaar of afbreekbaar. 

Grosso modo worden er vijf wegen bewandeld om naar meer circulariteit te evolueren[7]:

  • circulaire input: hernieuwbare energie, biogebaseerde of volledig recycleerbare materialen;
  • grondstoffen herwinnen: herwin van bruikbare grondstoffen en energie van afgedankte producten (recyclage);
  • levensduur verlengen: functionele levensduur van een product verlengen door herstel, upgrading en herverkoop;
  • deelplatformen: een intensiever gebruik van producten door gedeeld gebruik;
  • product als een dienst: toegang tot producten aanbieden in plaats van verkopen.

Een aantal evoluties tonen hoe we in Vlaanderen met mondjesmaat evolueren naar een meer circulaire economie. In 2019 werd voor het eerst de totale hoeveelheid hergebruik in Vlaanderen gemeten. De totale hoeveelheid bedroeg 221.000 ton goederen, wat overeenkomt met 33,8 kg per inwoner.

Bron: Monitor Circulaire Economie Vlaanderen

Uit de cijfers blijkt dat informele kanalen een veel belangrijkere bron van hergebruik zijn dan formele kanalen zoals kringwinkels en tweedehandswinkels. Spullen krijgen (21%) of kopen (16%) van familie of vrienden zijn de belangrijkste hergebruikkanalen. De erkende kringloopsector staat op de derde plaats (15%), gevolgd door de online tweedehandsverkoop (14%).

In Vlaanderen leerden we allemaal afval selectief inzamelen om het daarna zoveel mogelijk te recycleren. Per inwoner werd in 2021 gemiddeld 471 kilogram huishoudelijk afval ingezameld. Van die 471 kg werd 331 kg selectief ingezameld en 140 kg restafval. Dat is in totaal 50 kg minder afval dan in 2013, 18 kg minder restafval en 32 kg minder selectief afval.

Het is niet omdat afval selectief wordt ingezameld dat het ook daadwerkelijk wordt gerecycleerd of hergebruikt. Maar op vlak van recyclage staat Vlaanderen in Europa wel aan de top met een recyclagepercentage van 63,8%.[8] En dat is niet alleen door de bijdrage van burgers en consumenten. Ook marktspelers doen mee. In 2018 kreeg 68% van het primair bedrijfsafval (excl. bouw- en sloopafval) een nieuw leven via composteren, vergisten, hergebruik, materiaalrecyclage of gebruik als secundaire grondstof.[9] In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er meer potentieel dan in Vlaanderen om nog te recycleren. Daar werd in 2020 33,7% van het afval gerecycleerd of hergebruikt.[10]

De circulariteitsgraad van het materiaalgebruik (CMUR, circular material use rate), is de ratio van het circulair materiaalgebruik tegenover het totale materiaalgebruik. Die indicator meet hoeveel materiaal er werd gerecupereerd en geherintroduceerd in de markt. Tussen 2014 en 2018 steeg de CMUR voor Vlaanderen van 15,9% naar 20,7%.

Maar ook de deeleconomie maakt stilaan zijn opgang. Autodelen is een circulair bedrijfsmodel dat kan leiden tot een hogere gebruiksintensiteit van auto’s waardoor het aantal auto’s dat gebruikt wordt, daalt en de materiaalvoetafdruk naar beneden gaat. In 2021 maakten meer dan 82.000 mensen gebruik van autodelen. Dat is een verviervoudiging in vergelijking met 2017.

Bron: Monitor Circulair Vlaanderen

Naast autodelen maken ook deelplatformen hun opgang. Mee dankzij kapitaalinjecties van investeerders maakten vijf grote spelers (Airbnb, Couchsurfing, Uber, Vinted en Etsy) sinds 2010 een spectaculaire groei.[11]


Het verlies aan biodiversiteit vormt een bedreiging voor heel wat ecosysteemdiensten waarvan de mensheid profiteert. Maar nog los van die diensten gaat daarmee ook veel intrinsieke natuurwaarde verloren. Ook in Vlaanderen sterven er soorten uit.

Biodiversiteit is de variatie aan levende organismen op het land, in de zee en in andere wateren. Biodiversiteit omvat zowel de verschillen binnen soorten (genetische diversiteit), tussen soorten (soortendiversiteit) en aan ecosystemen (ecosysteemdiversiteit). Dat de biodiversiteit op aarde door menselijk toedoen dramatisch terugloopt, staat vast.

Tegelijk is het duidelijk dat functionele diversiteit (soorten met onderscheiden functies) bijdraagt aan de gezondheid en de veerkracht van ecosystemen en dat die ecosystemen diensten leveren aan mens en maatschappij. Ecosysteemdiensten zijn alle voordelen die mens en maatschappij van ecosystemen ontvangen onder de vorm van goederen en diensten. Voorbeelden zijn de bestuiving van landbouwgewassen door wilde bijen, het gebruik van wilde verwanten van onze landbouwgewassen voor veredelingsdoeleinden en de rol die natuurlijke vegetaties kunnen spelen bij de opslag van koolstof en het voorkomen van erosie en overstromingen.

Bron: Globale uitdagingen voor een duurzame samenleving (KULeuven): les biodiversiteit (2023)

Zo’n functionele benadering staat dan nog los van de intrinsieke waarde die we aan biodiversiteit kunnen toekennen. Afhankelijk van de waarde- en betekenisgeving moet de vraag hoe nuttig biodiversiteit is misschien niet eens gesteld worden.

De laatste jaren neemt de biodiversiteit drastisch af. Een 5-tal ontwikkelingen vormen ernstige bedreigingen en leiden tot biodiversiteitsverlies:

  • habitatverlies (verdwijnen leefgebieden door ontbossing, intensieve monocultuur, verstedelijking)
  • overexploitatie (jagen, vissen)
  • invasieve uitheemse soorten (onder meer door globalisering)
  • vervuiling (bijvoorbeeld stikstof)
  • klimaatverandering

Wereldwijde populaties van zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen zijn in minder dan een halve eeuw met gemiddeld twee derden achteruitgegaan. Sinds 1970 leven er nu 69% minder gewervelden (zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën) op aarde. Wetenschappers noemen dat de 6e massa-extinctie. Het verschil met de vorige massa-extinctie (deze van de dinosauriërs) is dat deze volledig te wijten is aan de mens.

Bron: Living Planet Index: global trend

De Living Planet Index is gebaseerd op 20.811 populaties van 4.392 soorten gewervelde dieren en is samengesteld uit verschillende regionale indexen en indexen per habitat. Zo zijn er grote regionale verschillen: in Europa en Centraal Azië blijft het verlies beperkt tot 24%, maar in Afrika loopt dat verlies op tot 65%. Latijns-Amerika en het Caribisch gebied verloren een rampzalige 94%. Ook worden soorten uit bepaalde leefgebieden erg geraakt zoals zoetwatersoorten: -84%. Voor bossoorten is dat -53% en voor Europese vlinders: -49%.

Ook in Vlaanderen tekenen we biodiversiteitsverlies op. Van de 3.671 soorten op de gevalideerde rode lijsten zijn 244 soorten in de loop van de voorbije eeuw uit het Vlaamse Gewest verdwenen. Dat komt overeen met 7% van de soorten op de Rode Lijsten. Verder is 29% ‘ernstig bedreigd’, ‘bedreigd’ of ‘kwetsbaar’. Hun populaties zijn de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan of hebben een kritisch minimum bereikt, waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen. Daarnaast is 14% van de soorten bijna in gevaar. De Rode Lijst-status verschilt sterk tussen de verschillende soortengroepen.

Biodiversiteitsverlies zet middenveldspelers en overheden in Vlaanderen aan tot actie. Daarbij is natuurbeheer een belangrijke strategie. Eind 2022 bedroeg de oppervlakte ‘met effectief natuurbeheer’ 100.509 ha. Dat is een toename met 3.772 ha in vergelijking met 2021.

Bron: Instituut voor natuur- en bosonderzoek