Ruimte en ruimtegebruik (op het platteland en in de stad)
Europa is een van de meest intensief gebruikte landmassa’s ter wereld, met een zeer hoog ruimtebeslag en druk landgebruik voor landbouw, wonen, mobiliteit en ondernemen. Al zeker in Brussel en ook in Vlaanderen leven en ondernemen we met velen op een relatief kleine oppervlakte. We nemen heel veel en steeds meer ruimte in om te wonen, te werken en ons te verplaatsen. Ruimtebeslag door stedelijke gebieden en infrastructuur is over het algemeen onomkeerbaar. De vele (groot)stedelijke concentraties in Vlaanderen zijn verbonden door lintbebouwing. Daardoor ziet Vlaanderen er vanuit de lucht erg versnipperd uit.
Beschikbare ruimte wordt in Vlaanderen en al zeker in Brussel een schaars goed. Schaarse ruimte bepaalt de mogelijkheden van tal van activiteiten (wonen, werken, ondernemen, verplaatsen, ontspannen …). Dat levert bij het bestemmen en gebruiken van beschikbare ruimte flink wat discussies op tussen verschillende belangen. Ruimtelijke vraagstukken en maatschappelijke veranderingsprocessen hangen bovendien sterk samen. Zo brengt verstedelijking specifieke maatschappelijke uitdagingen met zich mee. De manier waarop we land gebruiken, heeft bovendien grote gevolgen voor het milieu en de natuur. Omgekeerd beïnvloedt klimaatverandering het toekomstige ruimtegebruik. We moeten meer rekening houden met de kwetsbaarheid van natuurlijke habitats, met overstromingsrisico’s, met beschikbare ruimte voor het exploiteren van hernieuwbare energiebronnen …
Brussel is al langer een metropool met een zeer hoge bevolkingsdichtheid. De toename van de bevolking en tewerkstellingsgroei brengt ook in Vlaanderen toenemende verstedelijking met zich mee.
Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis leefden de meeste mensen over de hele wereld in kleine gemeenschappen. In de afgelopen eeuwen – en vooral in de laatste decennia – is dat drastisch veranderd. Er is een massale volksverhuizing gebeurd van het platteland naar stedelijke gebieden. Ondertussen woont meer dan 4,3 miljard mensen in stedelijke gebieden. Dat zijn er sinds 2007 wereldwijd meer dan mensen die op het platteland leven.

Op basis van prospecties nemen we aan dat die evolutie zich de komende jaren nog zal doorzetten. Het aantal stadsbewoners zal toenemen, terwijl het aantal plattelandsbewoners zal afnemen.

Door zijn centrale ligging in Noordwest-Europa en status van Europese hoofdstad is Brussel al langer een metropool. Brussel huisvest de belangrijkste instellingen van de Europese Unie en de NAVO. In Brussel vinden we de grootste concentratie van diplomaten ter wereld. De as Brussel-Antwerpen vormt bovendien de economische ruggengraat van de zogenaamde Vlaamse Ruit: een stedelijk gebied rond en tussen Brussel, Gent, Antwerpen en Leuven met daarbinnen tal van kleinstedelijke gebieden zoals Mechelen, Lier, Aalst, Dendermonde, Lokeren en Sint-Niklaas. Dat gebied is een van de dichtstbevolkte gebieden in Europa.
De toename van de bevolking en de tewerkstellingsgroei brengt ook elders in Vlaanderen verstedelijking met zich mee. We kunnen Vlaanderen opdelen in drie gebieden: verstedelijkt, randstedelijk en landelijk gebied.
- Verstedelijkte gebieden kennen een hoog ruimtebeslag en een hoge activiteitsgraad (hoge bevolkingsdichtheid en/of hoge tewerkstellingsdichtheid).
- Ook randstedelijke gebieden kennen een hoog ruimtebeslag, terwijl de activiteitsgraad relatief lager is dan in verstedelijkte gebieden.
- Landelijke gebieden hebben een laag ruimtebeslag of een hoog ruimtebeslag in combinatie met een lage activiteitsgraad (lage bevolkingsdichtheid en/of lage tewerkstellingsdichtheid).
Ongeveer 41% van de Vlamingen woont in verstedelijkt gebied (7% van het grondgebied, oranje op de kaart hieronder) en 22% in randstedelijk gebied (14% van het grondgebied, paars op de kaart hieronder). Buiten de Vlaamse Ruit vinden we ook in de driehoek tussen Roeselare, Kortrijk en Waregem, in en rond Brugge, Oostende en Turnhout, in en tussen Hasselt en Genk en op de as Geel-Mol-Lommel stedelijke en randstedelijke concentraties. 37% van de Vlamingen woont tenslotte landelijk (79% van het grondgebied, groen op de kaart hieronder).

De oppervlakte die we voor huizen, bedrijven en transportinfrastructuur innemen, neemt gestaag toe. Daardoor wordt ruimte in Vlaanderen en Brussel meer en meer een schaars goed.
Landgebruik geeft ons een beeld van het effectieve gebruik van de grond voor welbepaalde activiteiten. Het agrarisch landgebruik (akkerland en grasland) domineert in Vlaanderen (46%). Het grootse deel van die oppervlakte wordt geëxploiteerd voor voedergewassen. Een derde daarvan voor akkerbouw en bijna 10% voor tuinbouw. Samen met een klein aandeel niet door landbouw gebruikt natuurlijk grasland vormt dat samen iets meer dan de helft van de landoppervlakte van het Vlaamse Gewest.

Ruimtebeslag is een verzamelterm voor de ruimte die we innemen met bebouwing (huizen en tuinen, commerciële doeleinden, transportinfrastructuur …). 28,7% van de oppervlakte van het Vlaamse Gewest (ongeveer 3.910 km2) was in 2021 bebouwd. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt de bebouwingsgraad een pak hoger (80,3%).

Percelen worden vooral ingenomen door woningen en wegen. De bebouwde oppervlakte neemt nog jaarlijks toe. Tussen 2013 en 2019 kwamen er in het Vlaamse Gewest jaarlijks ongeveer 100.000 gebouwen bij (270 gebouwen per dag)*. De groei van het ruimtebeslag komt zowat overal voor in Vlaanderen. Het gaat veelal over kleine percelen ruimtebeslag die sterk verspreid voorkomen in verstedelijkte, randstedelijke en landelijke gebieden. Het toenemende ruimtebeslag kan niet alleen verklaard worden door het toenemend aantal Vlamingen. Ook per inwoner nemen we nu meer ruimte in beslag dan pakweg 100 jaar geleden.
In het Vlaamse Gewest is de bebouwde oppervlakte (aandeel van de bodem bedekt door gebouwen) het grootst in de gemeenten in de Brusselse en de Antwerpse rand en in de grootsteden Antwerpen en Gent. Ook in de centrumsteden Oostende, Leuven, Genk, Brugge en rond Roeselare ligt de bebouwingsgraad hoger dan 50%. De regio Roeselare-Kortrijk-Waregem is eveneens opvallend dichter bebouwd dan gemiddeld. In de Westhoek, het Meetjesland en Zuid-Limburg ligt de bebouwingsgraad het laagst.

In 2021 was bijna de helft van de bebouwde oppervlakte in het Vlaamse Gewest in gebruik om te wonen. Ook terreinen voor vervoer en telecommunicatie gebruiken een aanzienlijk aandeel (29,9%) van de bebouwde oppervlakte. Ruim 7% van de bebouwde oppervlakte van het Vlaamse Gewest bestaat uit terreinen met recreatieve doeleinden.

Naast landbouw en bebouwing vinden we ook groene ruimte in het Vlaamse Gewest. Tijdens de pandemie hebben we het belang van groen in de wijk aan den lijve ondervonden. Wijkgroen is groen met een minimumoppervlakte van 10 hectare (ha) binnen een loopafstand van 800 meter en toegankelijk vanuit het openbaar domein. In 2019 woonde 63% van de inwoners van het Vlaamse Gewest in de nabijheid van wijkgroen. Het aandeel inwoners in de nabijheid van wijkgroen varieert sterk tussen de gemeenten. In sommige gemeenten gaat het om 0% van de bevolking, in andere gemeenten om 100% van de bevolking.
Iets meer dan 10% van de oppervlakte van het Vlaamse Gewest is bebost. Ook hier is de spreiding niet evenredig voor Vlaanderen. Vooral ten oosten van Brussel en in het noorden van de provincies Antwerpen en Limburg vinden we nog relatief veel bossen.

*Pisman, A., Vanacker, S., Bieseman, H., Vanongeval, L., Van Steertegem, M., Poelmans, L., Van Dyck, K. (Eds.). (2021). Ruimterapport Vlaanderen 2021. Een ruimtelijke analyse van Vlaanderen. Brussel: Departement Omgeving.
De meeste Vlamingen wonen geconcentreerd in kernen die via lintbebouwing, met behoorlijk wat bewoners, met elkaar verbonden zijn. Linten zijn nochtans in veel opzichten (o.a. verkeersveiligheid, nutsvoorzieningen, duurzaam wonen …) niet ideaal.
Het Vlaamse Gewest kent een erg versnipperd bebouwingspatroon met kernen, linten en verspreide bebouwing.

Het Vlaamse Gewest telt 1.520 kernen variërend van groot (meer dan 50.000 inwoners) tot zeer kleine woonconcentraties (50 tot 500 inwoners). 73% van de bevolking woont in die kernen.

Daarnaast telt het Vlaamse Gewest in 2019 ongeveer 12.500 km lintbebouwing. Daar wonen 1,4 miljoen mensen (21% van de bevolking). Verlinting is een historisch gegeven. Aan het begin van de 20e eeuw telde Vlaanderen al ongeveer 3.000 km lint en dat is alleen maar stelselmatig toegenomen. Vooral in het centraal deel van Vlaanderen is een samenhangend bebouwd weefsel ontstaan van kernen die onderling verbonden zijn door linten. Lintbewoning kent nochtans veel nadelen. Linten zijn een uiting van de ruimtelijke versnippering waarmee Vlaanderen kampt. Lintbewoners leggen meer kilometers met de auto af (gemiddeld 32,6 km per dag) dan hun landgenoten in de woonkernen en zelfs meer dan de mensen die in landelijk gebied wonen. Ook rond verkeersveiligheid scoren linten slecht. Er doen zich meer conflicten voor tussen traag lokaal en snel doorgaand verkeer. Lintbebouwing brengt bovendien extra maatschappelijke kosten mee voor verlichting, riolering, afvalwaterzuivering en openbaar vervoer.
Vooral het centrale deel van Vlaanderen is ‘verlint’ of gekenmerkt door lintbebouwing. In het bijzonder de driehoek tussen Aarschot, Mechelen en Lier en de regio rondom Keerbergen bevatten heel veel lintwegen. Wie langs lintwegen bouwt, doet dat hoofdzakelijk om te wonen. Driekwart van de lintbebouwing valt in die categorie. Een kwart van de oppervlakte wordt gebruikt voor andere doeleinden, zoals recreatie, transport, industrie of landbouw.
Naast kern- en lintbewoners telt het Vlaamse Gewest ten slotte nog een minderheid van bewoners (6%) van verspreide gebouwen.
Schaarser wordende ruimte dwingt ook civiele actoren om creatief te zoeken naar beschikbare ruimte voor sociaal-culturele praktijken of afhankelijk van hun missie om ook te wegen op de inrichting en het gebruik van de ruimte.
In de publieke ruimte komen zeer diverse mensen, groepen en gemeenschappen elkaar tegen en vinden tal van activiteiten plaats. Zo’n ontmoetingen kunnen een aanleiding zijn voor sociaal-culturele praktijken of kunnen zo’n praktijken ondersteunen. Sociaal-culturele praktijken hebben zelf ook (semi-)publieke ruimte nodig om te kunnen ontplooien. Dat kunnen zeer verschillende ruimtes zijn, van virtuele ruimtes over vormingslokalen en natuurgebieden tot openbare plaatsen. (Semi-)publieke ruimtes bieden specifieke mogelijkheden voor gemeenschapsvorming, maatschappelijke beweging, collectief leren of culturele betekenisgeving. In (semi-)publieke ruimtes brengen sociaal-cultureel werkers verbinding tot stand, maken ze plaats voor kritische reflectie en kunnen ze experimenteren met nieuwe antwoorden op maatschappelijke vraagstukken.
De kenmerken van die ruimtes bepalen mee de aard, betekenis en beleving van sociaal-culturele praktijken. In veel gevallen kiezen sociaal-cultureel werkers zorgvuldig een specifieke plaats uit voor hun initiatieven: een plaats met een publiek dan wel (semi-)privaat karakter, een plaats met een betekenisvolle geschiedenis, een toegankelijke plaats, een plaats met een symbolische betekenis, een plaats met voldoende bewegingsruimte … Omgekeerd bepalen sociaal-culturele praktijken mee de aard, betekenis en beleving van de ruimtes waarin ze zich afspelen of op gericht zijn. De wijze waarop de publieke ruimte betekenis en vorm krijgt, is immers het resultaat van voortdurende politieke en sociale processen. En dat zijn uitgelezen processen waarin sociaal-cultureel werkers zich engageren. Denk aan de herbestemming van een gebouw, het inrichten van herdenkingsplaatsen of safe places, het aanklagen van gentrificatie in een bepaalde wijk, het optimaliseren van de toegang tot en de inrichting van parken en pleinen … De publieke ruimte is bovendien een uitgelezen plaats om maatschappelijke discussies te voeren. Je kan er betogingen organiseren en zo een standpunt zichtbaar maken voor een ruimer publiek. Je kan er ook ludieke of creatieve acties voeren, zoals het plaatsen van alternatieve straatnaambordjes om genderkwesties onder de aandacht te brengen of wildbreien om meer kleur aan de publieke ruimte toe te voegen.
Bevolkingsgroei en groeiende tewerkstelling gaan samen met een groter ruimtebeslag. Ruimte wordt in Vlaanderen en Brussel meer en meer een schaars goed. Dat ervaren ook sociaal-culturele actoren, al beschikken we in Brussel en in de Vlaamse steden en gemeenten over een grote diversiteit aan cultuur- en jeugdinfrastructuur beheerd door verschillende actoren. Cultuur- en jeugdinfrastructuur kunnen eigendom zijn van private rechtspersonen (o.a. vzw’s), van gemeentebesturen of van de Vlaamse overheid. In Vlaanderen telt de lokale vrijetijdsmonitor 1,42 cultuurhuizen (cultureel centrum, een gemeenschaps-, belevings-, en of ontmoetingscentrum) per 10.000 inwoners. Toch daagt de toenemende druk op beschikbare ruimte ook het sociaal-cultureel werk uit om efficiënt, multifunctioneel en flexibel gebruik te maken van andere (semi-)publieke ruimtes en infrastructuur. Uit een bevraging door beweging.net leren we dat 35,36% van de bevraagde vrijwilligers uit de sociaal-culturele sector aangeeft over eigen ruimtes te beschikken. 25% van alle bevraagde vrijwilligers (naast de sociaal-culturele sector ook jeugdwerk, welzijnswerk, sport …) vindt moeilijk betaalbare ruimte in de nabije omgeving voor eigen activiteiten. Voor 32% van de bevraagde vrijwilligers zijn grotere ruimtes in de omgeving voor evenementen te duur. Voor 46% onder hen zijn administratieve rompslomp en regels een grote drempel om iets te organiseren in de openbare ruimte.

Een van de manieren om de gesignaleerde drempels op te vangen, is om de beschikbare (publieke) ruimtes en gebouwen zo efficiënt mogelijk te benutten. Gedeeld gebruik focust op een divers gebruik van beschikbare ruimte in de tijd. Dat houdt bijvoorbeeld in dat een gebouw per dagdeel verschillende functies heeft, een deel van een pand gedeeld wordt met andere gebruikers of een leegstaande ruimte, in afwachting van een definitieve (her)bestemming, tijdelijk in gebruik wordt genomen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest alleen al staat naar schatting ruim 2 km2 aan leegstaande kantoorgebouwen. Tijdelijk gebruik kan een oplossing bieden. Verder kunnen ook ‘pop-up’-functies in de publieke ruimte georganiseerd worden of het gebruik van (semi-)private buitenruimtes mogelijk gemaakt worden, zoals de infrastructuur van scholen buiten de schooluren.


