Welbevinden en welzijn
Op 1 januari wensen we elkaar steevast een goede gezondheid toe. Dat toont het belang dat we allemaal hechten aan welbevinden, mentale en fysieke gezondheid. Om dat maximaal te garanderen, bouwden we in Vlaanderen een groot aanbod aan formele hulp- en dienstverlening in diverse ambulante, semi-residentiële en/of residentiële vormen. Dat formele aanbod wordt zowel vanuit de socialprofitsector, vanuit de publieke sector (federale, regionale en lokale overheid) als vanuit de commerciële sector georganiseerd. Naast dat formele aanbod wordt een aanzienlijk deel van de zorg en ondersteuning verleend in de informele sfeer, in de onmiddellijke nabijheid van zorgbehoevenden, door familieleden, vrienden, buren en vrijwilligers. Beide sectoren maken samen de verzorgingsstaat uit.
De staat van onze verzorgingsstaat fluctueert mee met de welvaart. Tijdens crisissen zoals de financiële crisis van 2008 en de energiecrisis van 2022 komt het welbevinden van Vlamingen en Brusselaars sneller onder druk te staan en groeit de nood om (overheids-)uitgaven voor zorg en welzijn te beheersen. Hier en daar hoor je ook stemmen die pleiten voor een meer voorwaardelijke gezondheidszorg. Kunnen en willen we nog onvoorwaardelijk solidair zijn met wie rookt, te weinig beweegt, te zwaar weegt of te veel alcohol drinkt?
Ondertussen steeg de levensverwachting, ook dat brengt nieuwe uitdagingen mee voor zorg en welbevinden. Terwijl 55-plussers het meest lijken te profiteren van de opgebouwde welvaart, gaat ouder worden ook gepaard met fysieke ongemakken en gezondheidsproblemen. Langer leven en een gezondheidszorg die steeds verder ontwikkelt, stellen ons ook voor ethische vragen over het levenseinde en de kwaliteit daarvan.
Het welzijn van de Belgen en hun levensenergie lijken de afgelopen jaren af te nemen. We maken ons vooral zorgen over onze levensstandaard en ons inkomen. Toch noteren we een relatief hoge levenstevredenheid.
Tussen 2008, het jaar van de financiële crisis, en 2015 daalde het welzijn van de Belgen. Na een verbetering tussen 2015 en 2018 daalde de welzijnsindicator van het Federaal Planbureau opnieuw in 2019.
Als oorzaak ziet het Federaal Plan bureau een achteruitgang van de gezondheid en van de sociale relaties. De covidpandemie, de gevolgen van de energiecrisis en de oorlog in Oekraïne hebben de achteruitgang sinds 2020 vermoedelijk nog versterkt.
Toch lijken we goed op weg om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling (SDG) voor levenstevredenheid te halen. In 2018 beoordeelde de bevolking van 15 jaar en ouder in België haar tevredenheid met het leven met een gemiddelde score van 7,5 op 10. Om het doel tegen 2030 te realiseren, mag dat cijfer niet dalen. De trend is alvast gunstig tussen 2002 en 2018 en houdt sinds 2012 min of meer gelijke tred met de buurlanden Duitsland en Nederland. Inwoners uit Frankrijk beoordelen zichzelf minder tevreden.
Ook een meer recente peiling, op basis van een andere methodologie, doet vermoeden dat we ondanks de pandemie en de inflatie de duurzame ontwikkelingsdoelstelling (SDG) voor levenstevredenheid zullen halen. Gevraagd naar de tevredenheid met het leven in het algemeen gaven de inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder zichzelf in het najaar van 2022 een gemiddelde score van 7,1 op 10. Drie kwart geeft zichzelf een score van 7 of meer op 10 (75%), iets minder dan de helft een score van 8 of meer (48%). 7% van de inwoners geeft zichzelf een score lager dan 5. In vergelijking met het voorjaar van 2022 is de gemiddelde algemene levenstevredenheid nauwelijks gewijzigd.
In het najaar van 2022 zei 88% van de inwoners van het Vlaamse Gewest van 18 jaar en ouder (heel) tevreden te zijn over het contact met zijn/haar huisgenoten. Ook over de woning (87%) en de buurt waar ze wonen (86%), was in 2022 meer dan 85% van de inwoners (heel) tevreden. Verder was ruim 80% (heel) tevreden over de contacten met familie en vrienden. Over de levensstandaard, vrije tijd, werk en gezondheid was tussen 70% en 75% (heel) tevreden. De inwoners van het Vlaamse Gewest zijn het minst tevreden over hun inkomen (55%). In vergelijking met het najaar van 2021 is er enkel een significante daling van de tevredenheid met de levensstandaard.
Ondanks onze tevredenheid met het leven lijken we aan levensenergie in te boeten. In 2018 had 1 op de 6 inwoners van het Vlaamse Gewest van 15 jaar en ouder een optimale levensenergie. Tussen 2004 en 2018 is dat percentage gedaald van 25% naar 17%.

In het Vlaamse Gewest waren er in 2018 meer mannen dan vrouwen met een optimaal energieniveau. De optimale vitaliteit is lager bij de personen jonger dan 55 jaar dan bij personen van 55 jaar en ouder.

Het percentage inwoners met een optimale levensenergie lag in 2018 in het Vlaamse Gewest hoger dan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In het Vlaamse Gewest ging het om 17% van de bevolking van 15 jaar en ouder. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest lag dat aandeel op 10%.

Ook al noteren we een relatief hoog welbevinden en levenstevredenheid, toch lijdt een aanzienlijk deel onder de Vlamingen en Brusselaars aan psychologische ontreddering, depressie en eenzaamheid en slagen we er niet in om daarin een kentering te bewerkstelligen.
In 2018 bevond 17,9% van de Belgische bevolking van 15 jaar en ouder zich in een situatie van psychologische ontreddering. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) tegen 2030 te realiseren, zal dat cijfer de komende jaren moeten dalen.

Bron: indicators.be
In 2018 had in het Vlaamse Gewest 6% van de personen van 15 jaar en ouder een depressieve stoornis en had 8% een angststoornis. Het Vlaamse Gewest telt verhoudingsgewijs minder inwoners met een depressieve stoornis of een angststoornis dan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Vrouwen hadden vaker dan mannen een angststoornis. Bij een depressieve stoornis was het verschil tussen mannen en vrouwen niet significant. Lager opgeleiden gaven in 2018 vaker een depressieve stoornis en een angststoornis aan dan hoger opgeleiden.
Voortgaand op de indicator van de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) rapporteerde 7,4% van de Belgische bevolking van 15 jaar en ouder in de laatste twaalf maanden van 2018 aan een depressie te hebben geleden. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG’s) tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen.

Bron: indicators.be
De Staten-Generaal Geestelijke Gezondheidszorg verenigt 40 organisaties uit de sector en rapporteert over ruim 5.000 Vlamingen met mentale problemen die in 2021 wachtten op hulp, vaak maandenlang. De wachtlijsten – die al lang waren – worden alleen maar langer. Wie in de loop van 2021 om psychologische of psychiatrische ondersteuning vroeg, mocht zich volgens de Staten-Generaal Geestelijke Gezondheidszorg aan een gemiddelde wachttijd van zes maanden verwachten. Zeker in de jeugdhulp gingen de afgelopen jaren alarmbellen af. Wachtlijsten maken quasi inherent deel uit van de wijze waarop jeugdhulp vandaag georganiseerd wordt.
Volgens het Nationaal Geluksonderzoek voelde bijna de helft van de Belgen zich voor de coronapandemie soms tot altijd eenzaam. Van alle Belgen tussen de 20 en de 50 jaar voelde de meerderheid zich soms tot altijd eenzaam. Bij 60-plussers lag dat aantal op zowat 30%. De COVID-19-gezondheidsenquête toont een grote invloed van de coronapandemie op eenzaamheidsgevoelens bij Vlamingen. In maart 2021 gaf bijna 30% van de volwassenen aan ernstig te kampen met dergelijke gevoelens. 47% van de bevolking gaf de score ‘middel’ als antwoord, 23,1% gaf aan geen gevoelens van eenzaamheid te kennen.

Bij de tweede bevraging in de zomer bleken de gevoelens van eenzaamheid over heel de lijn afgenomen te zijn. De grootste groep (46%) voelde geen eenzaamheid (meer). 21,5% van de bevolking kende niettemin wel nog ernstige gevoelens van eenzaamheid. Bij de vierde golf kantelden de verhoudingen weer. 31% van de Vlaamse bevolking kampte met ernstige gevoelens van eenzaamheid. Maar in maart 2022 liggen de verhoudingen over heel de lijn weer positiever. 48,4% van de Vlamingen kent geen gevoelens van eenzaamheid (meer).
Het overgrote deel van de Belgische bevolking verkeert in een redelijke tot zeer goede gezondheid, al noteren we een stijging van vastgestelde chronische aandoeningen.
In 2022 verklaart 92% van de Belgische bevolking van 16 jaar en ouder zich in een zeer goede, goede of redelijke gezondheidstoestand te bevinden. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer stijgen.

De European Health Core Indicators laten een internationale vergelijking toe voor 2017. In België lag het percentage personen van 16 jaar en ouder dat de eigen gezondheid ‘goed’ of ‘zeer goed’ noemde boven het gemiddelde van de EU-landen.
De gezondheidsenquête komt in 2018 uit bij 83% van de Vlamingen van 15 jaar en ouder die zijn/haar gezondheid zelf ‘goed’ of ‘zeer goed’ beoordeelt (subjectieve gezondheid). Dat percentage bleef in vergelijking met de voorgaande jaren vrij stabiel.

Iets meer mannen dan vrouwen beoordeelden in 2018 hun gezondheid als ‘goed’ of ‘zeer goed’. Naarmate men ouder was, nam het percentage personen met een (zeer) goede gezondheid af. Meer dan de andere groepen noemden de hoger opgeleiden hun gezondheid (‘zeer’) ‘goed’.
In 2018 gaf in het Vlaamse Gewest bijna 1 op de 4 personen van 15 jaar en ouder aan last te hebben van ernstige lichamelijke pijn. Het gaat om personen met matige, hevige en heel hevige lichamelijke pijn.

Meer vrouwen dan mannen hadden in 2018 ernstige pijnklachten. De groep met ernstige pijnklachten nam toe met de leeftijd. Zo had ruim 1 op de 3 personen van 75 jaar en ouder ernstige pijnklachten. En meer dan de andere groepen hadden lager opgeleiden ernstige pijnklachten.
In 2021 had 13% van de bevolking in het Vlaamse Gewest in de ziekteverzekering het statuut van een persoon met een chronische aandoening. Dat aandeel neemt jaarlijks in geringe mate toe. Dat hangt voor een deel samen met de veroudering van de bevolking. De percentages lagen vooral in West-Vlaanderen en in Limburg hoger dan het Vlaamse gemiddelde.

In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest lag het aandeel met het statuut chronische aandoening lager dan in het Vlaamse Gewest. De verschillen tussen de gewesten hangen samen met de verschillen in de leeftijdssamenstelling van de bevolking.
In 2022 verklaarde 27% van de Belgische bevolking van 16 jaar en ouder, een langdurige ziekte of aandoening te hebben. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen.

In 2018 had 11% van de inwoners van het Vlaamse Gewest in het afgelopen jaar een ziekenhuisopname of hospitalisatie achter de rug. Het gaat om een opname in een ziekenhuis met minstens 1 overnachting. Het aandeel personen dat gehospitaliseerd werd, steeg tussen 2013 en 2018, maar die stijging is statistisch niet significant.

Er is geen verschil tussen het percentage mannen en het percentage vrouwen dat gehospitaliseerd werd. Dat is onder meer te wijten aan het feit dat ziekenhuisopnames voor een bevalling niet in de analyse werden opgenomen. Het percentage hospitalisaties neemt toe met de leeftijd. Personen met een diploma hoger onderwijs worden minder gehospitaliseerd dan lager opgeleiden. Het percentage personen dat gehospitaliseerd werd in 2018 ligt in het Vlaamse Gewest hoger dan in de andere gewesten. Vooral met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het verschil groot: daar ligt het percentage dat gehospitaliseerd werd op 8%.
Bijna 4 op de 10 Vlamingen verleent informele zorg aan een ziek, gehandicapt of bejaard familielid, kennis of buur.
38% van de bevolking van 18 jaar en ouder gaf in het voorjaar van 2022 aan minstens maandelijks informele zorg te verlenen. Het gaat om hulp of zorg voor een ziek, gehandicapt of bejaard familielid, kennis of buur. Bij 33% van de bevolking gebeurde dat minstens 1 keer per jaar, maar minder dan maandelijks. In vergelijking met het voorjaar van 2021 is het aandeel van de bevolking dat minstens maandelijks informele zorg biedt toegenomen van 33% in 2021 tot 38% in 2022. Vergelijkbare cijfers over informele zorg voor de periode vóór 2021 zijn niet beschikbaar.

In de leeftijdsgroep van 50 tot 64 jaar nemen meer mensen informele zorg op (49%). 18 tot 49-jarigen nemen relatief minder zorg op zich.

Het aantal plaatsen in de formele kinderopvang, waar kinderen doorgaans langer verblijven dan in de informele opvang, neemt af. Bestaande formele opvangplaatsen worden in grotere getale afgebouwd dan dat er nieuwe worden opgestart.
Het opvanggebruik voor jonge kinderen verschilt heel sterk naargelang de kenmerken van het gezin. Ouders die werken en ouders met een relatief hoger inkomen maken meer gebruik van formele of informele opvang. Alleenstaande ouders en samenwonende of getrouwde ouders verschillen niet in het gebruik van kinderopvang.
Kinderen die in formele voorzieningen (onthaalouders, kinderdagverblijven) opgevangen worden, verblijven er doorgaans langer dan kinderen die door het informele circuit (grootouders, andere familie, au pair …) opgevangen worden. In de formele opvang wordt de helft van de kinderen meer dan 30u per week opgevangen, in de informele opvang wordt ongeveer 10% meer dan 30u opgevangen.

Het aantal plaatsen in de formele opvang is tussen 2021 en 2022 met 1,6% gedaald. Eind 2022 waren er in 5.989 opvanglocaties 93.128 vergunde plaatsen voor baby’s en peuters, dat zijn 351 locaties en 1.553 plaatsen minder dan eind 2021. Meer locaties stoppen op eigen initiatief (605) dan dat er nieuwe locaties opstarten (302). Er werden ook meer locaties geschorst of opgeheven in 2022 tegenover de voorgaande jaren. De druk op de kinderopvang kwam de afgelopen jaren ook regelmatig aan bod in de media. De daling van het aantal plaatsen doet zich voor in alle Vlaamse provincies. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zien we een stijging van 176 plaatsen.
Van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar die in het Vlaams Gewest wonen, maakte in september 2022 53,3% gebruik van formele opvang. Dat is op hetzelfde niveau als in september 2021 (53,4%).

Het gebruik van formele opvang varieert naargelang de leeftijd van het kind. Bijna 7 op de 10 kinderen tussen 12 en 30 maanden maakten in september 2022 gebruik van formele opvang. Bij heel jonge kinderen en kinderen ouder dan 2,5 jaar ligt dat aandeel heel wat lager (26,1% bij de baby’s tussen 2 en 5 maanden en 12,7% bij de kinderen van 30 maanden of ouder).
Elk jaar opnieuw worden vele honderdduizenden mensen in Vlaanderen en Brussel, een veelvoud van het aantal sterfgevallen, in rouw gedompeld.
Dagelijks worden veel mensen met het verlies van een geliefd persoon geconfronteerd. Soms is dat volkomen onverwacht, andere keren heeft men de dood al maanden zien aankomen. Verlies van een naaste brengt ontwrichting van het bekende en vertrouwde leven met zich mee. Elk mens reageert op een eigen wijze op die situatie. Rouwgevoelens kunnen ook voortkomen na echtscheiding, na een amputatie, na het kwijtraken van werk door ontslag …
In 2022 stierven er in totaal 67.528 inwoners van het Vlaamse Gewest. Dat zijn er 3.020 meer dan in 2021, ofwel een stijging van 4,7%. In vergelijking met het piek- en coronajaar 2020 stierven er bijna 3.400 inwoners van het Vlaamse Gewest minder (-4,8%). Het aantal mensen dat bij een sterfgeval betrokken is, is een veelvoud van het aantal sterfgevallen. Elk jaar opnieuw worden dus vele honderdduizenden mensen in rouw gedompeld.

Vroegtijdige sterfte slaat op de overlijdens vóór de leeftijd van 75 jaar. In 2022 vonden 18.264 overlijdens plaats vóór de leeftijd van 75 jaar, wat neerkomt op 27% van het totaal aantal overlijdens. Bij mannen was dat 34%, bij vrouwen 21%. Daarmee lag het aandeel vroegtijdige sterfte in 2022 in lijn met de waargenomen evolutie uit het verleden. De figuur hieronder vertoont een kleine knik naar beneden in 2020. In dat jaar – met een hoog aantal overlijdens door de covidpandemie – lag het aandeel vroegtijdige sterfte in de totale sterfte nog wat lager dan verwacht volgens de evolutie: 33% van de overlijdens bij mannen en 20% van de overlijdens bij vrouwen vond in 2020 plaats vóór de leeftijd van 75 jaar.

Gezondheidsrisico’s verbonden aan overmatig drankgebruik lijken stilaan door te dringen. Het overmatig drankverbruik neemt af. Het aantal rokers fluctueert doorheen de tijd en meer bewegen lijkt voor velen onder ons minder evident te zijn.
Gezondheidsrisico’s zoals overgewicht, roken en alcoholgebruik zijn vaak besproken onderwerpen in publieke discussies. De nadruk ligt daarbij afwisselend op de gezondheidsgevolgen van die risico’s, op preventie, op de individuele verantwoordelijkheid of op de maatschappelijke kost.
In 2018 had 45% van de volwassenen overgewicht. Het gaat om personen met een Body Mass Index van 25 of meer. Bij 15% ging het om zwaarlijvigheid. Dat percentage bleef de voorbije 10 jaar vrij stabiel.

In 2018 besteedde 37% van de personen van 18 jaar en ouder in het Vlaamse Gewest per week minstens 150 minuten in hun vrije tijd aan lichaamsbeweging. Dat wordt beschouwd als gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging. 63% van de volwassenen haalde dat criterium niet en besteedde onvoldoende tijd aan lichaamsbeweging.
In 2018 rookte in het Vlaamse Gewest 16% van de personen van 15 jaar en ouder. 3 op de 4 rokers waren dagelijkse rokers. Het percentage dagelijkse rokers is sinds 2008 gedaald: in 2001 rookte 20% van de personen van 15 jaar en ouder dagelijks; in 2018 ging het om 12%. Het percentage occasionele rokers is sinds 2001 minder of meer stabiel gebleven.

Uit de meest recente rookenquête van de Stichting Tegen Kanker blijkt dat het aantal rokers in België sinds 2018 opnieuw licht toegenomen is. In 2018 was 23% van de Belgen een dagelijkse of occasionele roker, in 2021 ging het om 27% en in 2022 noteert de Stichting Tegen Kanker terug een daling tot 24%.
In 2018 gaf 79% van de Vlamingen van 15 jaar en ouder aan wel eens alcohol te hebben gedronken in de voorbije 12 maanden. De helft (52%) deed dat minstens wekelijks. Bij de bevolking van 15 jaar en ouder gebruikte in 2018 5% overmatig alcohol. Bij mannen betekent dat, volgens de geldende richtlijnen, meer dan 21 glazen alcohol per week, bij vrouwen meer dan 14 glazen per week. Het percentage Vlamingen dat overmatig alcohol drinkt, daalt langzaam. In 2001 bedroeg dat 9%.

Overmatig alcoholgebruik kwam in 2018 vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. In de leeftijdsgroep van 55 tot 64 jaar kende 10% een overmatig alcoholgebruik. Daarna volgen jongeren (15-24 jaar) en ouderen (65-74 jaar) met telkens bijna 6%. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (6,6%) telde in 2018 relatief gezien meer personen met overmatig alcoholgebruik dan het Vlaamse Gewest.
Lang zullen we leven; tot ongeveer 82 jaar. Dat brengt specifieke uitdagingen mee voor de gezondheidszorg en werpt ethische vragen op over een voltooid leven en de kwaliteit van het levenseinde.
De levensverwachting neemt toe, meer mensen worden ouder. In 2021 bedroeg de levensverwachting bij de geboorte in België 81,9 jaar.

Met de leeftijd daalt wel de ervaren gezondheid.

In 2020 bedroeg de levensverwachting in goede gezondheid in België 63,8 jaar. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer stijgen.

Op basis van gegevens van 2018 wordt geschat dat in het Vlaamse Gewest mannen van 50 jaar nog een levensverwachting hebben van gemiddeld 32 jaar, 23 jaar daarvan zonder beperkingen in het dagelijkse leven en 9 jaar met beperkingen. Vrouwen van 50 jaar hebben een vooruitzicht van gemiddeld genomen nog 36 jaar: 23,1 jaar zonder beperkingen en 12,5 jaar met beperkingen in het dagelijkse functioneren.

Op de leeftijd van 65 jaar lag in 2018 de gezonde levensverwachting voor Belgische mannen bijna 1 jaar boven het EU28-gemiddelde. Belgische vrouwen hadden op die leeftijd 1,4 jaar meer gezonde levensverwachting dan het EU28-gemiddelde.

1 op 3 Vlamingen van 65 jaar en ouder gaf in 2018 aan door gezondheidsproblemen beperkt te zijn geweest in dagelijkse activiteiten, terwijl 1 op 5 Vlamingen van 15 jaar en ouder dat aangaf.

We beschikken steeds over meer kennis en mogelijkheden om het leven te rekken, ook al stellen er zich gezondheidsproblemen. Dat leidt tot vragen over de kwaliteit van het leven en het levenseinde, en het doet ons nadenken over gezond ouder worden. Zo’n vragen leveren soms heftige maatschappelijke discussies op, bijvoorbeeld toen de politieke partij 66 in Nederland een wetsvoorstel indiende over voltooid leven vanaf 75 jaar. Ondertussen ontving de Euthanasiecommissie in België in 2022 2.966 registratiedocumenten voor euthanasie, een stijging met bijna tien procentpunten in vergelijking met het jaar voordien. Het aantal euthanasieplegingen bij patiënten jonger dan 40 jaar bleef zeer beperkt (1,2%). 69,9% van de patiënten was ouder dan 70 jaar. De grootste groep waren patiënten tussen 80 en 89 jaar (29,2%).
Kanker en ziekten aan hart- en vaatstelsel zijn vandaag de belangrijkste doodsoorzaken. Tegelijkertijd beperken we beetje bij beetje het aantal overlijdens door chronische aandoeningen, zelfdoding en verkeersongevallen.
Bijna de helft van alle overlijdens in 2020 in het Vlaamse Gewest kon worden toegeschreven aan twee groepen van doodsoorzaken: kanker (of andere nieuwvormingen) (23%) en ziekten van het hart- of vaatstelstel (22%). Het effectief aantal overlijdens aan kanker en ziekten aan hart- of vaatstelsel nam tussen 2019 en 2020 wel af. In 2020 ging het om 16.133 overlijdens aan kanker (-428 tegenover 2019) en 15.481 overlijdens aan ziekten aan hart- of vaatstelsel (-586 tegenover 2019). Tegelijk stierven in 2020 10.842 personen aan de gevolgen van een Covid-19-besmetting. Dat is 15% van het totaal aantal overlijdens.
Het percentage en het aantal overlijdens door ziekten van het hart- of vaatstelstel daalt langzaam. Sinds 2012 bleef het relatieve belang van de 2 belangrijkste groepen van doodsoorzaken nagenoeg gelijk. In 2019 was voor het eerst het aandeel van de overlijdens door kankers hoger dan dat van de ziekten van hart- en vaatziekten.

In het Vlaamse Gewest waren er in 2020 relatief gezien iets meer overlijdens door een hart- of vaatziekte dan in de 2 andere gewesten. Dat geldt ook voor overlijdens door kanker. In het Brusselse Gewest lag het aandeel overlijdens door een Covid-19-besmetting het hoogst.

In 2020 waren er in België bij de min-65-jarigen 83,5 sterfgevallen door chronische aandoeningen per 100.000 inwoners van die leeftijdsgroep. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen naar 70,1 per 100.000 inwoners. Als de trend sinds 2003 zich doorzet, zullen we dat doel bereiken.

In 2020 bedroeg de sterftegraad door zelfdoding in België 15,2 per 100.000 inwoners. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen. Dat is tussen 2003 en 2020 alvast het geval.

Zelfdoding komt vaker voor bij mannen da bij vrouwen.

In 2021 vielen er in België per 100.000 inwoners 4,5 verkeersdoden binnen de dertig dagen na een ongeval. Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet het aantal verkeersdoden gehalveerd worden. Met een voortzetting van de trend sinds 2000 zullen we die duurzame ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 niet realiseren.

Met de toenemende overheidskosten voor gezondheidszorg neemt ook de ongerustheid over die uitgavengroei toe. Dat leidde al sinds 2012 tot besparingsmaatregelen en een toenemende privatisering van de zorgsector.
Alle sociale overheidsuitgaven (naast uitgaven voor de gezondheidszorg, ook de uitgaven voor pensioenen, kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid) zouden op lange termijn (2070) bijna 30% uitmaken van het bbp in België.

Volgens berekeningen van de OESO besteedde België 10,7% van het bbp aan gezondheidszorg, dat is een groter aandeel dan het EU-gemiddelde (9,9%). In 2019 bedroegen de uitgaven voor gezondheidszorg 3.773 euro per hoofd van de bevolking, wat iets hoger is dan het EU-gemiddelde (3.523 euro).

Van alle uitgaven voor gezondheidszorg werd in 2019 77% gefinancierd met overheidsmiddelen en de verplichte ziektekostenverzekering. Dat is vergelijkbaar met het EU-gemiddelde (80%). De rechtstreekse eigen bijdragen waren goed voor 18% van de totale uitgaven voor gezondheidszorg, terwijl de vrijwillige ziekteverzekering voor de resterende 5% zorgde.
De meeste uitgaven voor gezondheidszorg in België gingen naar intramurale zorg, in 2019 goed voor meer dan 36% van alle uitgaven voor gezondheidszorg. Dat is hoger dan het EU-gemiddelde van 29%). Bijna een kwart van de uitgaven voor gezondheidszorg werd uitgegeven aan extramurale zorg. De uitgaven voor langdurige zorg lagen aanzienlijk hoger dan in de EU en omvatten meer dan een vijfde van alle uitgaven voor gezondheidszorg. 1/8 van de uitgaven voor gezondheidszorg ging naar geneesmiddelen en medische hulpmiddelen die buiten ziekenhuizen worden gebruikt. Uitgaven voor preventie bedroegen slechts 1,6% van alle uitgaven voor gezondheidszorg, een lager aandeel dan het EU-gemiddelde van 2,9%.

Met de toenemende overheidskosten voor gezondheidszorg neem ook de ongerustheid over die uitgavengroei toe. Dat leidde al vanaf 2012 tot sterke besparingsmaatregelen en een toenemende privatisering van de zorgsector.


